Omschrijving van de relatie tussen God en mens.
Het verbond neemt in het Oude Testament een belangrijke plaats in. God sluit zijn verbond met Noach (Gen. 6:18), met Abraham (Gen. 17:7), met Israël bij de Sinai (Ex. 20:2) en met David (Ps. 89:4). Bij de profeten (bijvoorbeeld Jer. 31:31-34) klinkt de belofte van een nieuw verbond, waarin God zijn genade nog rijker zal schenken. Het Nieuwe Testament spreekt over de vervulling van die belofte in Christus (bijvoorbeeld Hebr. 8). Vooral in het gereformeerd protestantisme is het verbond een belangrijk systematisch-theologisch begrip geworden, al vanaf Bullinger en Calvijn. In de gereformeerde theologie functioneert het begrip vooral in het kader van het beklemtonen van de eenheid van het Oude en Nieuwe Testament en van de leer van de doop (de doop als teken en zegel van Gods verbondsbelofte). Ook biedt het begrip een tegenwicht aan de leer van de uitverkiezing. In het verbond gaat het immers om Gods handelen in de geschiedenis en het menselijk antwoord daarop.
Een belangrijke onderscheiding in de verbondsleer is die tussen werk- of paradijsverbond (Gods verbond met de mens vóór de zondeval) en genadeverbond (na de zondeval). Daarnaast wordt nog onderscheiden het verbond der verlossing of pactum salutis, het verbond tussen de drie goddelijke personen met het oog op de verlossing van de uitverkorenen.
Veel discussie is er over de verhouding van dit pactum salutis tot het genadeverbond, en over de verhouding van verbond en uitverkiezing. Kerkelijke scheuringen binnen het gereformeerd protestantisme hebben veelal met deze discussies te maken gehad.
Auteur
B. Kamphuis [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
J. van Genderen, Verbond en verkiezing (Kampen 1983)
C. Graafland, Van Calvijn tot Comrie. Oorsprong en ontwikkeling van de leer van het verbond in het gereformeerd protestantisme, I-III(Zoetermeer 1992-1996)