Twee rijken die naast elkaar bestaan.
Deze gedachte, die we ook bij Augustinus vinden, vormt bij Luther een wezenlijk onderdeel van zijn theologie. Het geestelijke rijk betreft het persoonlijke leven van ‘de ware christen’, het wereldlijke rijk het maatschappelijke en politieke leven. Een ware christen handelt ook zonder beteugeling door de overheid wel verantwoord, maar van andere mensen geldt dat niet. Daarom moet de overheid de orde handhaven en de ongebondenheid bestrijden.
Luther ziet een duidelijk verschil tussen de moraal van de overheid en die van de individuele christen. Calvijn daarentegen gaat uit van de gedachte van het drievoudig gebruik van de wet. Gods wet dient om de mens aan zijn zonde te ontdekken, als leefregel voor de ware gelovigen en als norm voor de menselijke samenleving. Politici worden zodoende gesteld onder de kritiek van Gods wet, terwijl in de lutherse traditie de politiek gemakkelijk tot een autonome sector wordt.
Auteur
C.S.L. Janse [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]