Verzameling van korte richtlijnen voor het menselijk handelen, volgens de overlevering door God aan Mozes geopenbaard. Synoniem: decaloog.
We kennen de tien geboden in twee versies (Ex. 20:1-17 en Deut. 5:6-21) die onderling weinig verschillen. Kenmerkend is dat zij primair in negatieve bewoordingen – als verboden – gesteld zijn. Volgens Calvijn gaf elk gebod, een boven de primaire, letterlijke betekenis uitgaande strekking voor nieuwe, actuele situaties. Hij noemt drie principes om ze uit te leggen. Ten eerste moeten geboden in de context van de hele bijbel worden uitgelegd. Dat voorkomt interpretaties die vreemd zijn aan het totaalbeeld. Ten tweede betekent een gebod dat iets verbiedt (bijvoorbeeld moord) het omgekeerde gebiedt (bijvoorbeeld dat wij het leven van de naaste in alles dienen te bevorderen). En ten slotte reguleren de geboden niet alleen het uiterlijke gedrag, maar beogen ze bij de gelovige vooral de innerlijke, dat wil zeggen volledige heiligmaking.
De tien geboden worden doorgaans verdeeld in twee tafels. De eerste vier hebben betrekking op de mens-Godrelatie (geen andere goden dienen, geen beelden maken, Gods naam niet ijdel gebruiken en de sabbat heiligen). De laatste zes (de ouders eren, niet doden, niet echtbreken, niet stelen, geen valse getuigenis geven en niet begeren) regelen het menselijk verkeer onderling. Omdat de roomskatholieke en lutherse tradities het ‘beeldverbod’ niet erkennen, laten zij het tweede gebod doorgaans weg en delen het laatste gebod in twee delen.
Hoewel afzonderlijke geboden terugkomen in de ethische regels van omliggende volken, is de decaloog als verzameling uniek. Uniek is ook de verbinding tussen de ethiek en het goddelijk handelen. De preambule van de geboden – ‘Ik ben de Here uw God die u uit de slavernij bevrijd heeft’ – zet de geboden tegen de achtergrond van Gods bevrijdend handelen aan mensen. Dat betekent dat de geboden met nadruk niet als een nieuwe slavernij zijn te verstaan. Zij bedoelen mensen regels te geven waarmee ze met hun vrijheid kunnen omgaan. De tien geboden gelden door hun brede, algemene strekking wel als een voorloper en grondlegger van verklaringen van mensenrechten.
Auteur
Theo Boer [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Johannes Calvijn, Institutie II (Delft 1931)
Walter J. Harrelson, The Ten Commandments and Human Rights (Philadelphia 1980)
J. Douma, De tien geboden (Kampen 1985)