De eerste drie evangeliën, de zogenaamde synoptische evangeliën, vertonen zoveel overeenstemming dat men ze in een synopsis naast elkaar kan leggen.
Tegelijk zijn er ook aanmerkelijke verschillen. De kerkvaders hebben deze problemen al gezien en geprobeerd hiervoor een oplossing te vinden (bijvoorbeeld Augustinus). Later heeft men wel gedacht aan een gemeenschappelijke mondelinge traditie of één oerevangelie dat aan alle drie ten grondslag gelegen zou hebben. In de achttiende eeuw heeft J.J. Griesbach de prioriteit van Matteüs sterk verdedigd. Vandaag zijn er weinig geleerden die deze stelling nog aanhangen.
De meesten gaan uit van de tweebronnentheorie: Markus als eerste evangelie en daarnaast een andere, onbekende bron Q (Quelle, bron) die grote delen van de prediking van Jezus heeft bevat. Matteüs en Lukas hebben deze beide bronnen gebruikt, maar daarnaast heeft ieder ook nog eigen bronnen gekend, die men in de regel aanduidt als Sondergut.
Auteur
K. Runia [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
H. Baarlink (red), Inleiding tot het Nieuwe Testament (Kampen 1989)