Plaats van samenkomst voor joodse religieuze bijeenkomsten (Grieks voor samenkomst; Hebreeuws: bet ha-knesset; Jiddisj: sjoel).
Waarschijnlijk gedurende de Babylonische ballingschap opgekomen als permanente institutie en na de bouw van de Tweede Tempel in heel het land Israël verspreid als locale plaats van gebed, thora-lezing en samenkomst. Later ontstonden overal synagogen waar joodse gemeenschappen werden gevestigd. Synagogen zijn georiënteerd richting Jeruzalem; de Heilige Arke (Aron ha-kodesj), de kast waarin de thora-rollen worden bewaard, staat daarom in Europa aan de oostelijke wand. Daarvoor bevindt zich de biema, een verhoging van waaraf thora gelezen wordt. Dat gebeurt met het gezicht naar de Arke en de rug naar de aanwezigen. Diensten vinden plaats op sabbat (vrijdagavond en zaterdagochtend) en joodse feestdagen. Grotere joodse gemeenschappen hebben ook weekdiensten. Tijdens de diensten wordt de hele thora in lectio continua, in een jaar, gelezen. Mannen en vrouwen zitten gescheiden, behalve bij de liberaal-joodse beweging, die overigens hun synagoge vaak tempel noemen.
Auteur
Bart Wallet [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
J.F. van Agt en E. van Voolen, Synagogen in Nederland (Hilversum 1988)