Van het Griekse sumbolos; een identiteitsteken dat bestaat uit twee samen te voegen helften.
Een symbool is meerzinnig: het verwijst via een niet-rationele communicatie naar een diepere werkelijkheid waarvan iets werkelijk aanwezig is in het gesymboliseerde ding. Het symbool is doel op zich, omdat het participeert aan de werkelijkheid waarheen het verwijst. Deze werkelijkheid overstijgt de stoffelijke kant van het symbool en valt er nooit helemaal mee samen. Een symbool is geen teken. In tegenstelling tot een teken berust het niet op afspraak. Het teken is geen doel op zich (denk aan een stoplicht) en roept niet op tot meditatie. Het symbool dwingt ook niet tot één betekenis zoals het teken. Het symbool brengt samen, verenigt en geeft continuïteit aan wat is verspreid. Het brengt verleden en toekomst samen in het heden. Symbolen spelen een belangrijke rol in religie.
Zowel in het Oude als het Nieuwe Testament verwijzen symbolen niet naar een anonieme transcendentie. In het Nieuwe Testament is Christus hét beeld van de levende God (Joh. 14:9). Christelijke symboliek heeft een dubbele betekenis: zij verwijst naar het aards-historisch bestaan van Christus én zijn voorleven in de kerk die zijn ‘lichaam’ is. Zo is het doopsel deelname aan het sterven en verrijzen van Christus (Rom. 6) en tegelijk deel worden van het ‘lichaam’, de kerk (1 Kor.12:12-13). In de liturgie spelen symbolen een grote rol. Men kan elementen onderscheiden (brood, beker, wijn, olie, vuur), ruimte (kerkgebouw, oriëntatie, bedevaart), tijd (dag, feest, kerkelijk jaar), getal (acht, drie, veertig), dierensymbolen (vis, adelaar, leeuw, stier), lettersymbolen (alpha en omega, Christusmonogram) en lichaamssymboliek (buigen, knielen, gebaren, processie, maaltijd, staan, zitten, taal, zang).
Auteur
Richard Bot [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
G. Lukken, Geen leven zonder Rituelen (Hilversum 1984/1988)