Sanctie op een overtreding.
Het thema ‘straf ’ staat in het Oude Testament in het perspectief van menselijke daden en de gevolgen ervan. Door actieve tussenkomst van daartoe bevoegde autoriteiten worden overtredingen vervolgd en bestraft, waarbij sprake kan zijn van vergelding (Ex. 21:24; Lev. 24:20 en Deut. 19:21). Sinds Kant wordt straf gedefinieerd als ‘opzettelijke leedtoevoeging door een daartoe bevoegd orgaan van de staat jegens burgers, omdat zij schuldig bevonden zijn aan een strafbaar feit’. Straf veronderstelt een norm, die in de wet is vastgelegd, en vormt de sanctie die gesteld is op overtreding van de wet. In het toekennen van straf spelen verschillende motieven een rol, zoals herstel van de geschonden rechtsorde, de delinquent tot inkeer brengen, preventie (zowel specifiek bij deze dader in de toekomst als ook door het afschrikkend effect in de samenleving als geheel) en de bescherming van de samenleving.
Bij dit alles is principieel de vraag waar men de oorsprong gelegen ziet van de norm die aan de wet ten grondslag ligt. In het denken van de middeleeuwse theoloog Anselmus van Canterbury (1033/34-1109) draagt Christus plaatsvervangend de straf van God over de zonde van de mens, die Gods schepping diep geschonden heeft. Als de verankering van het recht in een goddelijke orde wegvalt wordt de vraag acuut, op basis waarvan straf toegekend kan worden. Is het mogelijk de straf te rechtvaardigen door bijvoorbeeld te verwijzen naar het nuttig effect dat ervan uitgaat? Of gaat het in de toekenning van straf om uitoefening van macht door hen, die het recht naar hun hand zetten? In de huidige situatie vraagt toepassing van straf om een ‘rechtsstaat’, waarin de discussie over grondslag en inhoud van het recht nooit als afgesloten wordt beschouwd.
Auteur
G.C. den Hertog [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]