Omstandigheid dat men een verkeerde daad begaan heeft; een moreel en religieus begrip dat in nauw verband staat met de begrippen zonde, offer, vergeving en verzoening.
Het begrip schuld kan in de bijbel parallel gebruikt worden aan het begrip zonde. De mens kan zich door zijn slechte daden schuldig maken ten opzichte van de ander, de relatie in het ongerede brengen en zich daarmee met een negatieve last of verplichting opladen. Een verdere thematisering van het schuldbegrip vond plaats in de theologie van de westerse kerk, onder invloed van met name Augustinus en Anselmus.
In de westerse theologie werd de verhouding van de mens tot God doordacht in termen van sociaalrechtelijke verhoudingen. De mens verkeert tegenover God in een situatie van schuld, doordat hij niet geeft wat hij God geven moet, namelijk de eer die Hem toekomt. De schuld kan alleen opgeheven worden doordat Jezus Christus door zijn vrijwillige en schuldeloze dood zoveel verdienste (meritum) verwerft, dat hiermee de schuld wordt opgeheven. Schuld en zonde zijn binnen het christelijke geloof allereerst religieuze begrippen die hun oorsprong vinden in de geschonden verhouding tot God. Doordat deze schending ook doorwerkt in het handelen van de mens, is schuld pas in afgeleide zin een moreel begrip.
Auteur
C. van der Kooi [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]