Geschapen werkelijkheid of de aanduiding van de goddelijke scheppingsdaad.
Het theologische begrip schepping houdt in dat God uit goedheid en in vrijheid het bestaan van het heelal heeft gewild en tot stand gebracht uit niets. De werkelijkheid had er ook niet kunnen zijn. Het scheppingsgeloof komt poëtisch tot uitdrukking in het scheppingsverhaal in het bijbelboek Genesis. Het begrip schepping sluit uit dat het heelal eeuwig bestaat, dat de zichtbare en tijdelijke werkelijkheid noodzakelijk uit een onzichtbaar, eeuwig en goddelijk beginsel voortvloeit en daarnaar terugkeert (neoplatonisme), en dat het heelal toevallig is ontstaan.
Het scheppingsgeloof is vaak opgevat als het enige redelijke antwoord op de filosofische vraag naar de grond van het bestaan. Het scheppingsverhaal is lange tijd gelezen als een historisch feitenrelaas. Beide overtuigingen zijn door ontwikkelingen in de historische wetenschap en in de natuurwetenschap omstreden geworden Het bijbelverhaal blijkt relatief jong en archeologische vondsten tonen dat de aarde ouder is dan de bijbel vertelt.
In natuurwetenschappelijke verklaringen van het ontstaan van het heelal speelt het begrip schepping geen rol en de evolutietheorie geeft een ander beeld over het ontstaan van de soorten dan Genesis. Men kan een conflict tussen geloof en wetenschap vermijden door op het verschil te letten tussen het bijbelse scheppingsverhaal en een wetenschappelijke historische beschrijving. Ook kan het scheppingsgeloof onderscheiden worden van een natuurwetenschappelijke hypothese over het ontstaan van het heelal en van een filosofische theorie over de grond van het bestaan. Men kan geloven dat deze wereld door God geschapen is, en het aan de wetenschap overlaten te onderzoeken hoe de ontwikkeling vanaf het eerste begin zich heeft voltrokken. Men kan geloven dat God de schepper is, ook wanneer God niet algemeen wordt aanvaard als de enige redelijke grond van het bestaan.
Auteur
J. Muis [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]