Hebreeuws voor ‘aanklager’ of ‘tegenstander’.
Andere namen zijn onder andere: de boze, de draak, het beest, de antichrist, Beëlzebub, Belial, vorst van het rijk van de duisternis en duivel (van het Griekse diabolus, lasteraar). In het Oude Testament is satan degene die de mensen bij God aanklaagt. Na een lange ontwikkeling is de tegenwoordige betekenis ontstaan, als degene die gelovigen probeert af te houden van het geloof en vertrouwen in *God en als verantwoordelijke voor al het kwade. Satan speelde in het volksgeloof een essentiële rol en kon met mensen (heksen) een verbond sluiten, literair ondermeer verwoord in Goethes Faust.
Auteur
E.G. Hoekstra [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Tom van der Hoeven, De duivel (Zoetermeer 2002)