De Kunsthal Rotterdam presenteert het fotoproject Religie Nu van Rotterdamse mediakunstenaar Eddy Seesing. Zeven jaar lang werkte Seesing aan een serie fotoportretten op groot formaat van voorgangers van zeventig verschillende geloofsgemeenschappen in Nederland.
De serie toont kerkelijke voorgangers in hun natuurlijke habitat. En schept een tijdsbeeld van de hedendaagse samenleving en de verscheidenheid aan religies die ons land kent. Zowel Christenen van verschillende denominaties, als diverse richtingen binnen de Joodse, Moslim, Hindu en Boeddhistische gemeenschappen zijn te zien. Door de wijze waarop Seesing de Religie Nu tentoonstelling heeft samengesteld en ingedeeld, legt hij de nadruk op de overeenkomsten tussen de verschillende geloven.
Religie Nu - Spiritualiteit in Nederland t/m 12 februari 2012.
Bron: De Kunsthal.
De Christelijke Encyclopedie over Religie:
Systeem van godsdienst. Van het Latijnse religare, verbinden. Voor de definitie van religie wordt op voorstel van Nathan Söderblom veelal het onderscheid tussen heilig en profaan (niet-kerkelijk) als beslissend criterium genomen.
In een religie ervaart de mens zich verbonden met heilige werkelijkheid en geeft hij in doen en laten antwoord op dit heilige. Het heilige kan iets onpersoonlijks zijn, het goddelijke, machten, geesten of demonen, goden in meervoud of God in enkelvoud. Religie kent een aantal structuurelementen, namelijk een dragend verhaal of mythe, media van ontmoeting met het heilige, een zede, de cultus en de riten. Op grond van de aard van de godservaring zijn er dynamistische religies, waarin het geloof zich bindt aan een onpersoonlijke stoffelijke macht; animistische religies, waar het geloof zich richt op persoonachtige geestelijke wezens (geesten en demonen); en theïstische religies, waar het geloof zich richt op een meervoud van goden (polytheïsme) of op één God (monotheïsme).
Het bijbelse monotheïsme is niet zozeer te beschouwen als een protest tegen een veelheid van goden, maar eerder als de uitkomst van een historisch proces waarin uiteindelijk één god als de ware en enige werd vereerd (henotheïsme). De houding van het oudtestamentische en nieuwtestamentische openbaringsgeloof jegens religie, staat in onmiddellijk verband met de vraag in hoeverre God zich universeel, wereldwijd openbaart. In het Oude en Nieuwe Testament wordt het bestaan van andere machten niet ontkend, maar wel wordt steeds gesteld dat alleen die God of Jahweh die zich met Abraham en zijn nageslacht heeft verbonden, de aanbidding, het ontzag en de dienst van de mensen toekomt. De vraag naar de positie van andere religies wordt alleen beantwoord in verband met de inhoudelijke ontdekkingen die Israël op haar weg met deze God heeft gedaan (verbond, verkiezing). Ook daar waar kosmische bovenpersoonlijke machten worden erkend, staan zij onder het gezag en de macht van God of van Christus.
In de christelijke theologie is de houding ten opzichte van religie gedurende vele eeuwen bepaald door de leer van de logos spermatikos. In aansluiting bij onder meer Johannes 1 en de stoïsche filosofie, werd de logos door de apologeten beschouwd als openbaringsprincipe, dat tegelijkertijd als principe van eenheid en samenhang in religie de wereld werkzaam is. De waarheid en schoonheid die in religies en in verschillende wijsgerige stelsels werden gevonden, konden op grond van deze leer worden verklaard en gewaardeerd als vrucht van de universele werking van de goddelijke logos, die op zijn beurt kon worden vereenzelvigd met Christus als de eeuwige logos. Deze mogelijkheid tot positieve waardering werd vergezeld door een demonenleer. Waar in de religie verdorvenheid of grote afwijking werd aangetroffen, werd dit geweten aan het werk van demonen die erop uit waren de waarheid te verdraaien. Een derde element in de houding tot de religies werd gevonden in de toepassing van de Griekse pedagogiegedachte, namelijk de accommodatieleer: God past zich aan de ontwikkelingsfase en het bevattingsvermogen van andere volkeren aan. De religies zijn zodoende te beschouwen als voorbereiding of als trap in de goddelijke pedagogie, naar het christendom als hoogste waarheid. In feite is deze figuur van een voorbereiding, waarin een deelwaarheid wordt gevonden, nog steeds bepalend voor de rooms-katholieke positie.
De houding van de reformatorische theologie ten opzichte van religie is in hoofdzaak bepaald door het substitutieprincipe. Op grond van Romeinen 1:23 werd alle feitelijke religie gezien als een verdraaiing van wat de mens op grond van Gods universele machtsopenbaring van God bemerkt. Terwijl de Reformatie met de oude kerk de feitelijkheid van de bekendheid van Gods majesteit onder de volkeren niet ontkende, werd deze belijdenis theologisch onmiddellijk ineffectief doordat de zonde als totaalbederf (corruptio totalis) elk positief effect feitelijk ondenkbaar maakte. Pas onder de invloed van zending en missie is de klem van deze theologische premisse losser geworden (bijvoorbeeld bij J.H. Bavinck). Voor een faire beoordeling van de andere religies wordt sindsdien de feitelijke ontmoeting en het gesprek (dialoog) van groot belang geacht. Het gewicht van inhoudelijke theologische criteria is daarbij niet verdwenen of ontkend, maar wel zijn ze sterk teruggedrongen en krijgen ze hun plaats in de feitelijke ontmoeting met andersgelovigen.
Auteur
C. van der Kooi [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
H. Küng e.a., Christendom en wereldgodsdiensten. Wegbereiding tot de dialoog met de islam, het hindoeïsme en het boeddhisme, 3 dln (Hilversum 1986-1987)
H.M. Vroom, Geen andere goden. Christelijk geloof in gesprek met boeddhisme, hindoeïsme en islam (Kampen 1993)