In de dogmatiek: aanvaarding door God. Daarbij gaat het om de vraag hoe een mens goed is in Gods ogen, zodat hij mag delen in de eeuwige gemeenschap met God.
Pelagius (ca. 350 - ca. 420) meende dat een mens zijn eeuwige geluk kan verdienen door Gods geboden te gehoorzamen en goede daden te verrichten (zie pelagianisme). Augustinus stelde daar tegenover dat een mens zo gericht is op zichzelf, dat hij uit eigen kracht niet voor God kan kiezen. Alleen wanneer de goddelijke genade zijn wil op God richt, gaat de mens leven in liefde. In dit proces van heiligmaking wordt de mens genezen van zijn ik-gerichtheid en rechtvaardig voor God. Augustinus’ visie werd verder uitgebouwd in de Middeleeuwen: de mens ontvangt uit genade het geloof en verricht als gelovige goede daden waarmee hij het eeuwige geluk kan verdienen.
Maarten Luther liep hiermee vast en ontdekte in de brieven van Paulus iets anders: de mens wordt niet door zijn goede daden rechtvaardig in Gods ogen, maar door de gerechtigheid van Jezus Christus. In het evangelie van Jezus Christus worden zondaren vrijgesproken. Wanneer een mens in geloof met Christus wordt verenigd, wordt Christus’ gerechtigheid zijn gerechtigheid en is hij voor God rechtvaardig. Luther wilde met zijn ontdekking de kerk hervormen, maar de afwijzing van zijn opvattingen leidde tot de scheuring van de westerse kerk. De kerkstrijd leidde ook tot spraakverwarring. In de rooms-katholieke traditie vallen rechtvaardiging en heiligmaking samen; Luther stelde rechtvaardiging scherp tegenover heiligmaking; in de gereformeerde (calvinistische) traditie gaan rechtvaardiging in Christus en heiligmaking van het mensenleven samen. In oecumenische gesprekken zijn veel misverstanden tussen de kerken opgeruimd. Toch is het geschil over de rechtvaardiging nog niet helemaal beslecht.
Auteur
J. Muis [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]