Onderdeel van de theologische wetenschap dat zich bezighoudt met de bestudering van het leven en de werken van de kerkvaders.
Hiermee worden in de regel de grote theologen vanaf de voltooiing van het Nieuwe Testament tot aan het einde van de achtste eeuw bedoeld. De patristiek is nauw verbonden met de kerkgeschiedenis en de studie van het dogma. De kerkvaders waren niet alleen betrokken bij het ontstaan van de fundamentele dogma’s, zoals dat over de triniteit en de christologie, maar ze hebben deze dogma’s in hun geschriften ook uitgelegd en tegen ketterij verdedigd.
Auteur
K. Runia [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]