In het katholieke spraakgebruik verrijzenis, het kernbegrip voor de hoop van het christelijke geloof (1 Kor. 15).
De voorstelling van een opstanding uit de dood ontwikkelde zich in de laatjoodse apocalyptiek en ontleende in het christelijke geloof zijn inhoud en betekenis aan Gods handelen aan Jezus Christus na zijn sterven. In de nieuwtestamentische getuigenissen van ontmoetingen met Jezus Christus na diens executie op Golgota wordt Jezus waargenomen als ‘de levende’. De opstanding van Christus wijst zowel op continuïteit als op discontinuïteit. De getuigen beklemtonen enerzijds de identiteit van de persoon Jezus Christus, anderzijds betuigen ze dat hij onttrokken is aan de beperkingen van tijd en ruimte.
In de opstanding vereenzelvigt God zich definitief met Jezus en wordt Jezus. Hieraan ontleent het christelijke geloof de hoop en verwachting dat God ook trouw zal zijn aan mens en schepping, door dood en oordeel heen.
Auteur
C. van der Kooi [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]