Hoewel het begrip vooral van toepassing is in het christendom, kennen ook de andere godsdiensten hun geloofsgetuigen. Speciaal in de vroege kerk werd martelaar de eretitel voor iedereen die voor zijn geloofstrouw moest lijden tot in de dood. Iemand die wel te lijden heeft gehad voor zijn geloof maar niet ter dood is gebracht, wordt confessor genoemd. Ook tijdens de Middeleeuwen en de beginperiode van de Reformatie is er sprake van martelaarschap. De inquisitie vervolgde andersdenkenden wegens ketterij en liet velen door de overheid ter dood brengen. Vooral de wederdopers kenden vele slachtoffers. Ook tijdens de Tweede Wereldoorlog werden gelovigen onder het nazi-bewind tot martelaar.
Met name in de vierde eeuw nadat keizer Constantijn het christendom had erkend, verklaarde de kerk de martelaar vaak tot heilige. De plaats van sterven of het graf werden tot plaatsen van devotie, terwijl ook de relikwieën speciale betekenis kregen voor de volksdevotie. Over veel martelaren zijn hagiografieën verschenen, terwijl vele martelaarsgeschiedenissen uit de beginperiode van de Reformatie verzameld werden in de zogenaamde martelaarsboeken.
Auteur
E.G. Hoekstra [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]