Moeder van Jezus. Over Maria is in de Schrift weinig opgetekend.
Volgens de evangelist Lucas is Maria een joodse vrouw, vermoedelijk uit een priesterlijk geslacht. Lucas laat doorschemeren dat zij als moeder van de Messias en moeder van God mag worden beschouwd, omdat het kind haar door de Heilige Geest en in de kracht van de Allerhoogste ten deel viel (Luc. 1: 32b,33, 35; Magnificat). Zij is daarom ‘de gezegende onder de vrouwen’ (Luc. 1: 42b, 45). Daarnaast wordt zij door Lucas beschreven als lid van de kerk (Hand. 1: 14) en door Johannes als moeder van de kerk (Joh. 19: 26f ). De weinige woorden in de Schrift lagen in de rooms-katholieke kerk van alle eeuwen ten grondslag aan een voortdurende ontwikkeling in het denken over en beleven van Maria.
In de vier dogma’s die betrekking hebben op Maria, weerklinkt de sterke betrokkenheid van Maria op het heilswerk in Christus. De vier Mariadogma’s kunnen niet los worden gezien van de geloofsuitspraken over het wezen en de werkzaamheid van Christus.
Het eerste dogma: in de eerste eeuwen werd vooral beleden dat Maria geen mensenkind had gedragen dat later door God als zoon werd geadopteerd, maar dat zij daadwerkelijk moeder van God de Zoon was. Op het concilie van Ephese (431) werd plechtig verklaard dat Maria de ‘Moeder van God’ (theotokos) is. Het Mariafeest, waarop de Rooms-Katholieke Kerk dit herdenkt, wordt op 1 januari gevierd – in aansluiting op het feest van de geboorte van de Heer. Het is het oudste Mariafeest.
Het tweede dogma. Door een besluit op het concilie van Constantinopel (553) werd in de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel de geloofsuitspraak opgenomen dat Maria ‘altijd maagd’ was gebleven. De evangelist Lucas geeft al de voorstelling van de geboorte van het godskind als zoon van een maagd weer (Luc. 1: 26-38; Mat. 1: 18-25). Dit dogma is vanzelfsprekend geen vrucht van biologisch onderzoek. Het was een gevolg van de theologische reflectie op het geloof dat het begin van de heilsgeschiedenis niet geworteld was in de geschiedenis van de mensheid, die door zonde was bepaald. De heilsgeschiedenis begon met de menswording van Christus; de zuiverheid hiervan werd benadrukt in dit tweede dogma.
Het derde dogma. In 1854 kondigde paus Pius IX het dogma af van de Onbevlekte ontvangenis van Maria.
Het vierde dogma. In 1950 proclameerde paus Pius XII het dogma van Maria tenhemelopneming.
In het protestantisme is steeds vastgehouden aan het oudchristelijk geloof, zoals verwoord in het eerste dogma. De laatste twee dogma’s werden niet aangenomen, omdat door de nadruk op Maria in een verzelfstandigde mariologie en mariaverering het verlossingswerk van Christus op de achtergrond zou kunnen raken. Sinds het Tweede Vaticaans Concilie is het oudchristelijk geloof in Maria als voorbeeld voor alle gelovigen weer geïntensiveerd; vanwege haar onbaatzuchtigheid en geloof, en als moeder van alle leden van de kerk. Door alle eeuwen heen werd zij vanwege haar betrokkenheid op God ook als middelares tussen God en mens aangeroepen.
In de islam is Maria een belangrijke persoon, zowel in de koran als in de volksdevotie. In de koran zijn meer woorden gewijd aan Maria dan in de Schrift.
Auteur
P. van Geest [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder Lezen
R. Bäumer, L. Scheffczyk (ed.), Marienlexikon (1988)
W. Logister, Maria, een uitdaging (Averbode/ Baarn, 1995)
P. van Geest, Het rooms-katholicisme (Kampen 2003 2e druk)
P. Pas, Maria (Leusden/Leuven 2003)