Religieuze stroming, ontstaan in de derde eeuw na Christus in Perzië, het huidige Iran.
De kunstschilder Mani (216-276) zag zichzelf als de apostel die voltooide wat Zarathoestra, Boeddha en Jezus eerder begonnen waren. Net als Jezus zou hij velen van bezetenheid en andere kwalen genezen hebben. Uiteindelijk werd hij in de gevangenis omgebracht. De beweging breidde zich uit tot in China en Noord-Afrika. Uitgangspunt van zijn leer was een consequent uitgewerkt dualisme: de God van het licht tegenover de machten van de duisternis. Door vonken van het licht in zich op te nemen, verloor het duister iets van zijn kracht. Er ontstond een vermenging. Eens in de toekomst zullen de twee principes weer uiteenraken. In alle levensvormen is de vermenging aanwezig, vooral in de mens. Mani en zijn voorgangers hadden de taak de goddelijke kernen te bevrijden.
De beweging kende een kern van uitverkorenen en een veel grotere groep toehoorders. De uitverkorenen zelf waren vegetariërs en onthielden zich van seksuele contacten. Na hun sterven zou hun ziel met de goede God verenigd worden. De zielen van de toehoorders zouden na het sterven opnieuw in een lichaam gekluisterd worden, tot ook zij de staat van de uitverkiezing bereikten.
Augustinus is ruim negen jaar onder invloed van het manicheïsme geweest.
Auteur
A.J.Jelsma [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
G. Widengren (ed.), Der Manichäismus (Darmstadt 1977)
A. Böhlig, Die Gnosis. Der Manichäismus (Zürich/ München 1980)