Bezit of geld, afgeleid uit het Aramees. In heel de bijbel komt mammon slechts enkele malen voor, en wel in het Nieuwe Testament (Matt. 6:24; Luc. 16:9, 11, 13).
Sommigen verwijzen naar de stam van het woord ‘amen’; dan verwijst het naar datgene waar men zijn vertrouwen op zet en waar het hart aan hangt. Uit Jezus’ vaststelling dat men niet God kan dienen én mammon, blijkt wel, dat mammon het karakter van een afgod heeft (zie ook: afgoderij). In Lucas 16:11 wordt echter ook gesproken over ‘trouw zijn ten aanzien van de onrechtvaardige mammon’. Daarmee wordt bedoeld, dat de volgeling van Jezus in diens dagelijks werk en vooral de omgang met geld rekening heeft te houden met Gods wil. Met ‘de onrechtvaardige mammon’ worden de onrechtvaardige economische structuren, waarbinnen zij leven en werken, aangeduid. In Lucas 16:9 heeft Jezus zijn volgelingen opgeroepen ‘vrienden te maken met behulp van de onrechtvaardige mammon’. Hij stelt hun de rentmeester uit de gelijkenis ten voorbeeld, die, als hij ontslagen wordt, de schuldeisers van zijn heer bij zich roept, en hen de niet toegestane en daarom aan het oog onttrokken rente laat schrappen. Hij is een voorbeeld in die zin, dat hij de onrechtvaardige economische structuren een ander doel laat dienen. Waar de rentmeester gedreven wordt door eigenbelang, dient de volgeling van Jezus God en zijn Rijk te dienen.
Bij het dienen van mammon denkt Jezus dus aan ‘geldzuchtigheid’ (Luc 16:14). In 1 Timotheüs 6:10 wordt geldzucht een ‘wortel van alle kwaad’ genoemd. De apostel waarschuwt zijn lezers de hoop niet te vestigen op ‘onzekere rijkdom’, maar op God die alles ‘rijkelijk’ om te gebruiken geeft, met de bedoeling dat zij ‘rijk zijn in goede werken’ (1 Tim. 6:17-19).
Auteur
G.C. den Hartog [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder Lezen
Bijbels-Historisch Woordenboek III, 269-270