Ornament en symbool. Binnen het christendom is het het centrale symbool dat verwijst naar de heilsbetekenis van Jezus Christus. De geschiedenis van Jezus kan door Paulus zelfs samengevat worden als ‘het woord van het kruis’ (1 Kor. 1:18).
De dood aan het kruis was een wrede en langzame folterdood, bedoeld als executiemiddel voor oproermakers en politieke rebellen. De aanvankelijke verlegenheid van de eerste christenen met de oneervolle dood van hun Heer kan men in het Nieuwe Testament nog waarnemen (1 Kor. 1:23). De gekruisigde gold als een vervloekte die door God en mensen verlaten was (Gal. 3:13). In het licht van de opstanding kon Jezus’ kruisdood echter worden verstaan als overwinning op de machten van zonde en dood. Nadat de kruisdood als executiemiddel in de vierde eeuw door Constantijn de Grote was afgeschaft, ontwikkelde het kruis zich tot een overwinningssymbool van de christenen en ontstond de kruisverering.
Tot de twaalfde eeuw stelde men de gekruisigde voor als iemand die door het lijden onberoerd bleef. Vanaf de gotiek kwam het accent te liggen op de lijdende Christus. In de theologie is de betekenis van het kruis steeds sterker geworden. In aansluiting bij de apostel Paulus leerde Luther dat God zich pas echt doet kennen in de gestalte van de gekruisigde. Dat God de mensen liefheeft en zich hun bestaan aantrekt, blijkt doordat hij in Jezus Christus als de zoon hun bestaan deelt en draagt. In de opstanding blijkt dat de dood het als macht moet afleggen tegen de liefde van God. Het kruis verwijst zo als symbool naar het geloof in een God die de realiteit van dood en schuld ernstig neemt en doorbreekt.
Auteur
C. van der Kooi [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
K. Dijkstra, Christelijke symbooltaal (Baarn 1982)
M. Hengel, Crucifixion (Philadelphia 1989)