Ten eerste zijn er feesten die gericht zijn op herstel. De sabbat, de wekelijks terugkerende rustdag, het joods nieuwjaar en grote verzoendag behoren hiertoe. De verhoudingen tussen de mensen onderling en tussen de mens en God moeten worden hersteld om met een schone lei verder te gaan. Ten tweede zijn er de oogstfeesten. Pesach, sjavoeot (wekenfeest), en het loofhuttenfeest waren oorspronkelijk pelgrimsfeesten, waarop men naar de tempel in Jeruzalem ging om dankoffers te brengen voor de oogst. Later hebben deze feesten er nog een andere betekenis bij gekregen. Pesach werd verbonden met de uittocht uit Egypte, sjavoeot het ontvangen van de tora op Sinaï, en het loofhuttenfeest met de zwerftocht door de woestijn. Ten derde zijn er de herdenkingsfeesten waarop belangrijke momenten in de geschiedenis worden herdacht, zoals de herinwijding van de tempel bij het chanoekafeest en de wonderbaarlijke redding van een dreigende volkerenmoord bij poerim.
Behalve deze cyclische feesten, die aan de kalender zijn gebonden, zijn er ook feesten die belangrijke momenten in een mensenleven markeren. Dat begint al kort na de geboorte. Als een jongetje acht dagen oud is vindt de besnijdenis plaats, dat wil zeggen dat de voorhuid van zijn penis wordt weggehaald. Dit teken moet hem er voor altijd aan herinneren dat hij hoort bij het volk van God (Gen. 17:10-12). Als hij dertien jaar oud is, wordt de jongen voor de wet volwassen, hij wordt dan een bar mitswa.
De volgende stap is het huwelijk. In het jodendom wordt daar een groot belang aan toegekend, omdat het eerste bijbelse gebod betrekking heeft op de voortplanting (Gen. 1:28). In een feestelijke ceremonie worden man en vrouw in de echt verbonden. Hoewel er beslist geen taboe rust op seksualiteit, is deze wel aan strenge reinheidsregels gebonden, zoals het verbod tot seksuele omgang tijdens de menstruatie van de vrouw.
Het laatste grote ritueel dat verbonden is aan het individuele leven van de mens is bij zijn sterven. Op zijn sterfbed kan een mens nog voor de laatste keer zijn zonden belijden en de geloofsbelijdenis uitspreken ‘Hoor, Israël: de Here is onze God; de Here is één!’ (Deut. 6:4). Wanneer de dood is ingetreden wordt de dode ritueel gewassen en in een eenvoudig wit gewaad gehuld. Als teken van rouw maken de nabestaanden een scheur in hun bovenkleding. Bij het graf wordt het zogenaamde kaddiesj gezegd, een eeuwenoude lofprijzing van Gods naam.
Ook het dagelijks leven kent rituelen, zoals het gebed. Drie keer per dag worden de vaste gebeden opgezegd; daarnaast zijn er nog talloze lofzeggingen die bij verschillende gelegenheden worden opgezegd. Er wordt gebeden met het gezicht naar Jeruzalem. De vrouw heeft in het joodse leven een belangrijke rol in het bewaken van de voedselwetten. Deze wetten zijn vooral gebaseerd op Leviticus 11 en Deuteronomium 14 en zijn later nog verder uitgebreid. De belangrijkste voorschriften betreffen het onderscheid tussen reine en onreine dieren en het verbod om vlees en melk te combineren. Rond het joodse paasfeest gelden nog veel strengere voedselwetten, aangezien er dan niets in huis mag zijn wat zuurdesem bevat (Ex. 12:20).
Het opvallendste kledingkenmerk van religieuze joden is de hoofdbedekking van mannen. De symboliek van het dragen van een keppel of hoofdbedekking is een teken van eerbied, dat aantoont dat God steeds boven de mens staat. Tijdens het gebed dragen mannen bovendien nog een speciale gebedsmantel, die ze om de schouder of over het hoofd kunnen slaan. Vrouwen dragen geen speciale kleding, maar worden wel geacht zich kuis te kleden. In zeer orthodoxe kringen is bovendien bij getrouwde vrouwen het tonen van het haar verboden.
Auteur
Alberdina Houtman [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
S.Ph. de Vries, Joodse riten en symbolen (Amsterdam 1984 5e druk)
E. van Voolen, Joods leven thuis en in de synagoge (Baarn 1991)
A. van der Heide, Het jodendom (Kampen 2003 2e druk)