Geestesstroming in de Rooms-Katholieke Kerk die alle vragen van het leven wilde oplossen vanuit het geloof, zonder zich iets gelegen te laten liggen aan wat men zag als ‘de verderfelijke geest des tijds’.
De stroming die totalitaire en reactionaire kenmerken had, floreerde vooral in de tweede helft van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw. Aanhangers van het integralisme hielden vast aan kerkelijke tradities en verwierpen de scheiding van kerk en staat, een product van de Verlichting en de Franse Revolutie. Ze verwierpen ook de emancipatie van de vrouw, het streven leken meer inbreng in de kerk te geven (veroordeeld als laïcisme), het gezamenlijk opvoeden en onderwijzen van jongens en meisjes en de oecumenische beweging.
Het integralisme begon rond 1850 na de mislukking van enkele voorzichtige liberale experimenten in het begin van het pontificaat van paus Pius IX. Aanvankelijk werd de beweging vooral belichaamd door de Parijse journalist Louis Veuillot en diens krant l’Univers. Ook in de kring van de Nederlandse katholieken ondervond Veuillot sympathie.
Onder paus Leo XIII (1878-1903), die de veranderende wereld met open oog en oor tegemoet trad, had het integralisme niet veel kans. Onder het pontificaat van paus Pius X (1903-1914) was het vooral de aan het Romeinse staatssecretariaat verbonden U. Benigni, die met zijn periodiek Correspondenza Romana (1907) de toon zette. Via netwerken in Duitsland, Frankrijk en België en in Nederland de Haarlemse priester en hoofdredacteur van de Rotterdamse krant De Maasbode, rector M.A. Thompson werd zware kritiek geuit op ieder die een wat open en verdraagzaam katholicisme voorstond.
In Nederland werden met name de ‘sociale’ priester Alfons Ariëns en de Limburgse exegeet H.A. Poels het slachtoffer van beschuldigingen, die altijd als heterodoxie en modernisme werden bestempeld. Bijvoorbeeld werd door bisschop J.H. Drehmanns van Roermond aan Poels het bijbelprofessoraat aan het Roermondse grootseminarie geweigerd.
Uit deze sfeer ontstonden de pauselijke encycliek Pascendi (1907) en de zogenaamde antimodernisteneed (1910), af te leggen door ieder die in de katholieke kerk een ambt wilde bekleden. Terwijl de Roermondse bisschop Drehmanns en vooral zijn Haarlemse collega A.J. Callier tamelijk ver met het integralisme meegingen, hield de Bossche bisschop W. van de Ven (1892-1919) alle integralisme verre van zijn bisdom.
De opvolger van Pius XI, Benedictus XV (1914-1922), maakte in zijn eerste encycliek Ad beatissime (1914) radicaal een einde aan het integralisme. Een nieuwe vorm van integralisme noemen sommigen de beweging van de Franse bisschop M. Lefebvre die na het Tweede Vaticaans Concilie ontstond, die in 1988 tot een breuk met het Vaticaan voerde.
Auteur
J. Peijnenburg [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
L.J. Rogier, ‘Op- en neergang van het integralisme’, in: Archief voor de geschiedenis van de katholieke kerk in Nederland, 12 (1970), 257-385)
G. Daly, Transcendence and Immanence. A study in Catholic modernism and integralism (Oxford 1980)