Theologische en politieke stroming die in de jaren zestig en zeventig van de twintigste eeuw populair was.
In de theologie verschoof de aandacht van de verticale relatie met God en van het eeuwige heil, naar de horizontale relatie van de christen met de wereld buiten de kerk. De nadruk viel niet langer op Gods transcendentie, maar op zijn immanentie in deze aardse werkelijkheid: God als de grond van alle zijn. Er zat een duidelijk universalistische tendens in deze manier van theologiseren. Op de achtergrond speelde de gedachte van Karl Barth, dat deze wereld geschapen was terwille van Jezus Christus en zijn komst. In het oog lopende vertegenwoordigers waren mensen als Sölle, Ter Schegget, Kuitert, en de beweging Christenen voor het socialisme. Ook in de Wereldraad van Kerken speelde deze visie een rol. Op de assemblee van Uppsala (1969) zei secretaris-generaal W. Visser ’t Hooft: ‘In het evangelie horen de verticale verhouding tussen de mens en God en de horizontale verhouding tussen de mens en zijn naaste onlosmakelijk bijeen’ (The Uppsala Report 1969, 317f.). Na de val van de Duitse muur en de ineenstorting van de Sovjet-Unie in de jaren tachtig is het horizontalisme langzamerhand weggeëbd.
Auteur
K. Runia [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
B. Wentsel, De koers van de kerk in een horizontalistisch tijdperk, 2 delen (Kampen 1972)
H. Berkhof, ‘Heropening van het gesprek met de horizontalisten’ in Bruggen en bruggehoofden (Nijkerk 1981)