Schijnbaar gewelf rond de aarde. Overdrachtelijk: de sfeer die voor de mens ontoegankelijk en onmetelijk is, en die het leven op aarde bepaalt.
Deze kosmologische voorstelling wordt gebruikt om de verhouding van de mens tot God in zijn macht, distantie en nabijheid onder woorden te brengen. In de antieke oudheid gold de hemel als woonplaats van de goden. Deze voorstellingen ondergaan in de bijbel belangrijke preciseringen: de hemel is deel van Gods schepping (Gen. 1:1; 14; 19:22) en is zelf dus niet goddelijk. Niettemin wordt de hemel beschreven als woonplaats van God (Deut. 26:15; Ps. 2:4), van waaruit God handelt en neerdaalt (Ps. 14:2). De hemel wordt zo de sfeer of orde waar God onweersproken en zonder beperking regeert. In het Onze vader wordt God aangesproken als ‘Onze vader die in de hemelen zijt’. Vanuit de hemel kan wordt de zoon gezonden en de Heilige Geest over de mensen uitgestort. De hemel kan daarom functioneren als de plaats waar de gelovige na zijn dood definitief in de onbeperkte en onverhulde nabijheid van God verkeert.
Auteur
C. van der Kooi [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
C. Houtman, De hemel in het Oude Testament (Franeker 1974)