De weg waarlangs de zondaar in het bezit komt van de door Christus verworven weldaden.
Tot de heilsorde behoren roeping en wedergeboorte, geloof en bekering, rechtvaardiging, aanneming tot kinderen, heiligmaking, volharding en verheerlijking. In de zestiende eeuw ontwikkelde de heilsorde zich onder de gereformeerden, de eeuw daarna ook in het Lutheranisme. De ordening van elementen kan per theoloog enigszins verschillen. Men baseerde zich doorgaans op de ordening van Paulus in Romeinen 8: 29 en 30.
De heilsorde kan zowel objectief als subjectief worden opgevat. In het eerste geval wordt zij puur gezien als een dogmatisch onderwerp. In het tweede geval als iets wat door eigen ervaring of bevinding gekend moet worden om zalig te kunnen worden. In dat geval wordt doorgaans ook de drieslag ellende-verlossing-dankbaarheid van de Heidelbergse catechismus als een bevindelijke heilsorde gezien, dus als zaken die men in die volgorde beleeft.
Onder de bevindelijk-gereformeerden is er daarbij nog sprake van een heilsorde inzake de wijze waarop men toeneemt in de bevindelijke kennis van het heil; de ervaringen van Jakob of de discipelen worden daartoe als voorbeelden gezien. In de standenprediking die hiermee samenhangt, wordt aandacht geschonken aan de stand van de bevindelijke kennis inzake de eigen zondigheid; de erkenning van God in zijn rechtvaardigheid; de openbaring van Christus als middelaar; de persoonlijke toe-eigening van Christus; de rechtvaardiging in het geweten; het kennen van God als Vader; de inwoning van de Persoon van de Heilige Geest. Ook hier kunnen er per prediker verschillen zijn in de mate van onderscheiding en in de ordening.
Auteur
P.L. Rouwendal [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
H. Bavinck, Gereformeerde Dogmatiek, III en IV (Kampen 1910)
C. van de Ketterij, De weg in woorden. Een systematische beschrijving van piƫtistisch woordgebruik na 1900 (Assen 1972)
A. Moerkerken, Bethel en Pniƫl. Standen in het genadeleven (Houten 1997)