Historische ontwikkeling en openbaring van het heil dat God voor de wereld heeft bestemd.
Hoewel de term heilsgeschiedenis van protestantse oorsprong is, is hij ook in de rooms-katholieke theologie gangbaar geworden. Voor de herkomst van de term wordt gewezen op de Erlanger theoloog J.Chr.K. von Hofmann, die in 1841-1844 een studie over Profetie en vervulling in het Oude en het Nieuwe Testament publiceerde. Hierin behandelde hij de oudtestamentische aankondigingen van Christus en van Gods koninkrijk. Christus beschouwde hij als het midden van de geschiedenis en als het begin van haar voltooiing. Hij stelde zijn ‘heilshistorische’ (heilsgeschichtliche) uitleg van de bijbel tegenover het dogmatische gebruik van de Schrift als een verzameling van bewijsplaatsen voor de christelijke leer.
Ook voorafgaande aan Hofmann was er al aandacht voor het historische karakter van Gods heilsplan dat zich ontvouwt van schepping tot voleinding. Zo hebben kerkvaders als Irenaeus van Lyon (omstreeks 180) en Augustinus in feite al een heilshistorische theologie ontwikkeld. In de zestiende en zeventiende eeuw hebben protestantse theologen (met name Coccejus) hun theologie gebaseerd op de voortgang van het oude naar het nieuwe verbond.
In de jaren dertig van de twintigste eeuw betoogde Klaas Schilder dat de christelijke prediking heilshistorisch georiënteerd dient te zijn (heilshistorische prediking). Sinds de jaren veertig heeft Oscar Cullmann een krachtige impuls gegeven aan het gebruik van de term heilsgeschiedenis. Hij benadrukte dat het in het Nieuwe Testament verkondigde heil is gebonden aan een voortgaand tijdsgebeuren dat verleden, heden en toekomst omspant. Zo richtte hij zich enerzijds tegen de opvatting dat Jezus een spoedig einde van de wereld had aangekondigd; anderzijds keerde hij zich tegen een eenzijdige concentratie van de theologie op de persoonlijke existentie van de gelovige, zoals die werd voorgestaan door Rudolf Bultmann. Gerhard von Rad sprak in zijn Theologie des Alten Testaments (1957/1960) van de oudtestamentische heilsgeschiedenis.
In Nederland is H.N. Ridderbos sterk door Cullmann geïnspireerd. Hij zette het concept van de heilsgeschiedenis in tegen verschillende andere interpretaties van de Schrift. Hij distantieerde zich van de negentiende-eeuwse opvatting dat met Christus’ komst en prediking het koninkrijk van God ‘immanent’ al op aarde was gekomen en wees erop dat er nog een eschatologische ontknoping uitstaat (zie eschatologie). Anders dan historisch-kritische bijbeluitleggers meende hij dat Jezus geen spoedig einde van de wereld heeft aangekondigd. Hij betoogde dat er naar Jezus’ bedoeling eerst de tijd van de kerk moest komen en de canon van het Nieuwe Testament gevormd moest worden. Verder onderscheidde hij zich van Bultmann, die alle nadruk legde op de beslissing die de enkele mens, los van het concreet verloop van de geschiedenis, voor de gekruisigde Christus moet nemen. Ridderbos stelde zijn heilshistorische uitleg van de Schrift tegenover de piëtistische en heilsordelijke visie (zie heilsorde), die veeleer is gericht op de geestelijke ontwikkeling van de enkele gelovige; hij achtte deze aandacht te subjectief en legde alle nadruk op wat objectief in Christus’ dood en opstanding voor de mensheid is geschied. Ten slotte keerde hij zich tegen een fundamentalistische uitleg van de Schrift, volgens welke ook al die zaken die niet direct de centrale heilsfeiten betreffen als historische feiten moeten worden opgevat.
Auteur
Riemer Roukema [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen:
G.C. Berkouwer, De persoon van Christus (Kampen 1952)
H. Berkhof, Christus de zin der geschiedenis (Nijkerk 1962)
G.C. Berkouwer, De Heilige Schrift I (Kampen 1966)
K. Runia, Het hoge woord in de lage landen (Kampen 1985)
C. Trimp, Heilsgeschiedenis en prediking. Hervatting van een onvoltooid gesprek (Kampen 1986)
R. Roukema, ‘Heilshistorische exegese. Herman Ridderbos’, in: J. van Gelderen, C. Houtman (red.), Profiel. Theologiebeoefening in Kampen 1970-1990 (Kampen 2004)