Overleden personen die er tijdens hun leven op uitmuntende en voorbeeldige wijze in waren geslaagd om Christus na te volgen.
In navolging van de joden beschouwden de eerste christenen het al als hun moeilijke (maar niet onmogelijke) taak om een volk van heiligen te zijn. Sommigen slaagden echter beter in deze opdracht dan anderen en zo ontstond binnen het christendom al spoedig de nog altijd bestaande definitie van wat een heilige is. Deze navolging kon, afhankelijk van tijd, plaats en omstandigheden, op veel verschillende manieren gebeuren. Een gemeenschappelijke karakteristiek die aan de meeste heiligen wordt toegeschreven, is dat zij zich, net als Christus zelf, op een of andere wijze hebben opgeofferd voor het heil van hun medemensen.
In de eerste eeuwen van het bestaan van de kerk golden, naast degenen uit de directe omgeving van Jezus (zoals Maria, Johannes de Doper en de apostelen), vooral zij als heilig die bereid waren geweest om voor hun geloof de marteldood te sterven (martelaar). Naarmate het christendom verder verbreid raakte, dijde de schare der heiligen verder uit met niet-martelaren, meestal bisschoppen, monniken en religieuze vrouwen. Niet alleen hebben heiligen zich een plaats in de liturgische cultus verworven, vooral tijdens de Middeleeuwen werden zij ook belangrijk geacht als hemelse voorsprekers bij God (zie heiligenverering). Dat laatste geldt in verminderde mate in de rooms-katholieke kerk nog steeds. Met name in het weesgegroet wordt Maria gevraagd mee te bidden, ‘nu en in het uur van onze dood’.
Auteur
Charles Caspers [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Stijn van der Linden, De heiligen (Amsterdam/ Antwerpen 1999)