Oorspronkelijk betekent ‘heiden’ in het Gotisch: bewoner van ongecultiveerde grond.
In algemene zin verwijst het begrip naar de periode en de volkeren en hun religieuze gesteldheid van vóór de introductie van het christendom, in het bijzonder in Europa. Als wetenschappelijk begrip is het verouderd vanwege zijn ongunstige betekenis, normatieve en eurocentrische connotaties, staande in oppositie tot het ‘beschaafde’ joods-christelijke avondland. Dit geldt te meer daar er geen overeenstemming bestaat over wat precies onder het woord ‘heiden’ verstaan moet worden. Veelal wordt verwezen naar de voor- of niet-christelijke culturen van Grieken, Romeinen, Egyptenaren en van de Slavische, Germaanse en Keltische stammen en volken die zich tot omstreeks het begin van de jaartelling in Europa ophielden. ‘Heidendom’ in zijn oorspronkelijke betekenis is te herleiden tot het Oude Testament, waarin alle mensen die geen deel uitmaken van Gods volk tot de ‘heidenen’ worden gerekend.
De verbreding van de geografische horizon van het christelijke Europa bracht contacten met andere volkeren met zich mee, zoals de Arabisch-islamitische volken, die meestal ook als heidenen werden gecategoriseerd en bestreden; maar soms ook juist niet, vanwege het monotheïstische karakter van de islam. Sinds de late Middeleeuwen werd de wereld voor de Europeanen groter en ‘ontdekte’ men steeds meer ‘heidenen’. Het vormde het begin van een brede westerse missionerings- en zendingsbeweging, met als doel om in deze nieuwe gebieden en (latere) koloniale territoria, het heidendom te bestrijden en ‘christelijke beschaving’ te brengen. Deze ontwikkeling culmineerde in kwantitatieve zin in de negentiende en twintigste eeuw in de (West-)Europese samenleving. Dit kwam bijvoorbeeld binnen de Rooms-Katholieke Kerk nadrukkelijk tot uiting in de oprichting van het missiegenootschap van de Heilige Kindsheid, waarmee de kerk al vroeg bij katholieke kinderen (tot en met 12 jaar) een missiebewustzijn trachtte te kweken en hen probeerde vertrouwd te maken met de noodzaak tot ‘redding’ en bekering van ‘heidenkinderen’.
Sinds de Reformatie heeft het begrip er een nieuwe intra-Europese betekenis bij gekregen. Door de contrareformatorisch georiënteerde Rooms-Katholieke Kerk van na het concilie van Trente (1545-1563) werden namelijk protestanten collectief als heidenen en afvalligen beschouwd die via bekering weer voor de ‘moederkerk’ zouden moeten worden teruggewonnen. Omgekeerd trachtten protestanten te bewijzen dat zij het ‘authentieke’ christelijke geloof vertegenwoordigden en dat de katholieken veel van hun gebruiken en rituelen hadden gebaseerd op, of overgenomen van heidense voorgangers (zoals de processie als omgevormd heidens offerritueel) en daarmee als het ware zelf een door heidendom geïnfecteerd geloof beleden.
Binnen de Nederlandse folkloristische traditie is in dit verband vanaf de zestiende eeuw ook het beeld geconstrueerd van de vroegmiddeleeuwse missionarissen die met het omhakken van offerbomen en het vernietigen heiligdommen en sacrale putten als definitief met het heidendom zouden hebben afgerekend. Niettemin, tot aan de dag van vandaag woedt een discussie over hoe ‘christelijk’ of ‘heidens’ die Middeleeuwen feitelijk waren en in hoeverre magische en bijgelovige praktijken en gebruiken in zekere continuïteit vanaf de introductie van het christendom zijn blijven bestaan.
Vooral volkskundigen hebben in de negentiende en twintigste eeuw in dat opzicht blijvende ‘schade’ aangericht. Zij hanteerden een statisch continuïteitsdenken, waarin veel cultuurverschijnselen op basis van de aanname van strikte onveranderlijkheid werden ‘ontmaskerd’ als heidens in een nieuw jasje. De volkskunde van die jaren baseerde zich voor zijn verklaringen van contemporaine cultuurverschijnselen en hun origines vaak op veronderstelde ‘oer-oorsprongen’ bij prechristelijke volkeren, veelal aangeduid onder de onjuiste verzamelbenaming van ‘de Germanen’. Ondertussen zijn dergelijke veronderstellingen van ‘germanomanie’ gedeconstrueerd en ontmaskerd of op zijn minst gerelativeerd.
De new age-beweging heeft evenwel de interesse in de samenleving voor ‘oervolken’ als Germanen, maar vooral ook Kelten en hun gebruiken, weer doen herleven. Hierdoor zijn nieuwe uitingen van heidendom in de vorm van hekserij en neopaganisme weer tot enige bloei gekomen. Hekserij werd in de jaren 1980 onder de neutralere, angelsaksische benaming van wicca (zie heksen) herontdekt als natuurgodsdienst voor zelfontwikkeling en persoonlijke groei. Ook in Nederland is het (neo)paganisme vertegenwoordigd door diverse groepen die zich ‘verwant voelen met de pre-christelijke natuurreligies’.
Auteur
Peter Jan Margry [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Robin Lane Fox, De droom van Constantijn. Heidenen en christenen in het Romeinse Rijk, 150 n.C.-350 n.C. (Amsterdam 1989)
Ludo Milis (red.), De heidense Middeleeuwen (Bruxelles 1991)
Judith Schuyf, Heidens Nederland. Zichtbare overblijfselen van een niet-christelijk verleden (Utrecht 1995)
Ramsay MacMullen, Christianity and paganism in the fourth to eighth centuries (New Haven 1997)
Olivier Rieter (red.), Inheemse erfenis. Continuïteit en discontinuïteit in de geschiedenis (Utrecht 2003)