Het geweten is bij Paulus de plaats waar de christen zijn eigen handelwijze kritisch toetst.
Het is niet een zelfstandige instantie; het oordeel van het geweten valt samen met dat van het geloof. Het geweten geeft ook niet de richting voor het handelen aan, maar het oordeelt achteraf of een bepaalde handelwijze in overeenstemming met Gods gebod was. Bij Luther is het geweten de plaats, waar de mens vrij is, in diens ‘gebonden’ zijn aan het Woord van God. Kant ziet het geweten als een innerlijke kritische stem, die ieder mens van nature heeft en die hem wijst op diens plichten en zo bepalend wordt voor de ethiek. Nietzsche bracht daartegenin dat het geweten – een ‘christelijke uitvinding’ – juist de stem van andere mensen vertolkt, en de natuurlijke wilskracht en vrijheid van de mens onderdrukt. In de huidige discussie wordt het geweten vaak gezien als de plaats waar de mens authentiek is, waarbij men verschillend denkt over de vraag of het geweten zich oriënteert aan normen, en zo ja, welke dat zijn.
Auteur
G.C. den Hertog [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Jan Kerkhofs, Het geweten. Een sociologisch-theologische studie over de ruggengraat van goed en kwaad (Tielt 2002)
‘Gewissen’, Theologische Realenzyklopädie XIII, 192-241