Rechtvaardigheid, een eigenschap die kan worden toegeschreven aan een samenleving, aan handelingen, aan mensen en aan God.
Algemeen wordt rechtvaardigheid beschouwd als een vorm van gelijkheid, en onrechtvaardigheid als een vorm van ongelijkheid. Niet elke ongelijkheid tussen mensen is echter onrechtvaardig: wanneer mensen verschillen in belangstelling of prestatie, is dat geen onrecht. Het begrip rechtvaardigheid veronderstelt verder dat mensen bepaalde rechten (of vrijheden) bezitten. Wie bijvoorbeeld arbeid verricht voor een ander, heeft recht op de overeengekomen beloning. In de ‘universele verklaring van de rechten van de mens’ (1948) zijn de rechten van ieder mens neergelegd, bijvoorbeeld het recht op leven.
Een samenleving is rechtvaardig wanneer er rechtvaardige wetten zijn die voor iedereen gelden en die in de rechtspraak onpartijdig worden toegepast. Men kan verschillende soorten rechtvaardigheid onderscheiden. Aristoteles maakte al onderscheid tussen verdelende en herstellende rechtvaardigheid. Verdelende rechtvaardigheid is de eerlijke verdeling van de aanwezige goederen in een samenleving. Herstellende rechtvaardigheid is nodig wanneer er ongelijkheid is ontstaan bij een vrijwillige of onvrijwillige uitwisseling van goederen. Wie bij de verkoop van een huis een hogere prijs ontvangt dan was overeengekomen, dient terug te betalen wat hij teveel heeft ontvangen. Wie voedsel steelt, dient dit terug te geven. Plato en Aristoteles beschouwden rechtvaardigheid als een deugd die een mens zich kan eigen maken en vanwaaruit hij rechtvaardig kan handelen. Een rechtvaardig mens geeft zijn medemensen waar zij recht op hebben en behandelt allen op gelijke wijze.
De bijbel kent een eigen besef van gerechtigheid. Gerechtigheid is in het Oude Testament de vrede en het welzijn van de verhoudingen tussen God en mensen binnen de gemeenschap. Men handelt rechtvaardig wanneer men het welzijn van de gemeenschap vergroot. Een rechtvaardige is anderen tot zegen. Het recht is erop gericht deze gerechtigheid te bewaren en ieders recht te beschermen. Wanneer de rechte verhoudingen zijn verstoord, moeten deze worden hersteld. In de rechtspraak wordt recht gedaan aan slachtoffers en worden boosdoeners veroordeeld en gestraft. Oordelen krijgt zo de klank van bevrijden. Het recht van de armen en verdrukten neemt een bijzondere plaats in; gerechtigheid is daarom nauw verbonden met barmhartigheid. Rechtvaardigheid is een van de belangrijkste eigenschappen van God. Hij sticht gerechtigheid door armen en verdrukten te bevrijden en boosdoeners te oordelen en te straffen. Zijn gerechtigheid gaat hand in hand met zijn barmhartigheid (Psalm 103:6-9). Als schepper van hemel en aarde zal God in een laatste oordeel rechtspreken over alle mensen. Volgens Paulus, in het Nieuwe Testament, blijkt Gods ongewone gerechtigheid op verrassende wijze wanneer Hij in Jezus Christus zondaren uit genade rechtvaardigt (Romeinen 3:24; 5:8). Deze gerechtigheid is niet te begrijpen volgens de beginselen van ‘ieder het zijne’ en ‘loon naar prestatie’. Toch betekent dit niet dat God onrechtvaardig handelt wanneer hij zondaren vrijspreekt. In de blijde boodschap van Jezus Christus wordt juist zijn gerechtigheid openbaar (Romeinen 1:17). Deze gerechtigheid ligt in de lijn van Gods vrijsprekende en barmhartige gerechtigheid uit het Oude Testament.
In zijn worsteling over de rechtvaardiging ontdekte Luther bij Paulus het bijzondere van Gods gerechtigheid. God is rechtvaardig omdat Hij gerechtigheid schept. In Jezus Christus schept God gerechtigheid voor mensen die zich in zonde van Hem hebben afgekeerd. Een mens wordt een rechtvaardige doordat God hem de gerechtigheid van Christus toekent. In dit rechtvaardigend handelen handhaaft en bewijst God zijn bijzondere gerechtigheid en onthult Hij wat deze inhoudt.
Auteur
J. Muis [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Edward Schillebeeckx, Gerechtigheid en liefde. Genade en bevrijding (Bloemendaal 1977)