Christelijke leer inzake de afhankelijkheid van de mens van de genade van God, die door de eeuwen van de kerkgeschiedenis heen verschillende vormen heeft aangenomen.
Al gauw na de eerste eeuw van de kerk met zijn sterke nadruk op de absolute noodzaak van genade voor de verlossing van de mens en op het sola gratia, zien we bij de apostolische vaders een verzwakking in de genadeleer optreden. De genade, waarvan de noodzaak ten volle wordt erkend, krijgt een ander karakter. Zij is het die het mogelijk maakt om te gehoorzamen aan Gods roepstem tot een nieuw leven in gehoorzaamheid aan Christus. De mens kan deze roepstem volgen omdat hij nog steeds een vrije, zij het verzwakte, wil heeft, maar hij heeft hierbij wel de hulp van de genade nodig. Het sola fide van het Nieuwe Testament verandert daarmee van karakter. Jezus’ dood is niet meer het enige en absolute centrum van alle verlossing.
De Griekse kerkvaders gingen verder in deze lijn. Een mens kan niet op eigen kracht het Koninkrijk Gods binnengaan. Hij kan nog wel kiezen, maar heeft niet meer de kracht. Daarvoor heeft hij genade van God nodig, die de verzwakte wil van de mens versterkt tot een niveau dat hoger ligt dan dat van Adam. De genade die potentieel in Christus tot stand is gekomen, wordt actueel in de doop. De kerk is dan ook nodig voor verlossing. De westerse kerkvaders gingen eerst ook in die richting, maar bij hen speelde de ernst van de zonde een grotere rol, vooral zonde begaan na de doop.
In het begin van de vijfde eeuw kwam de Ierse of Britse monnik Pelagius naar Rome. Volgens hem (zie pelagianisme) is er geen erfzonde en wordt elke mens nog net als Adam zondeloos geboren. Toch worden alle mensen zondaar, door verleiding of voorbeeld. Ze behouden echter een volledig vrije wil en kunnen uit eigen kracht voor God kiezen. Het voorbeeld van Jezus helpt hen daarbij. Pelagius en zijn leer werden fel bestreden door Augustinus, volgens wie genade niet verdiend kan worden, maar vrijelijk door God gegeven wordt en alleen in de weg van het geloof ontvangen kan worden (sola gratia, sola fide).
Later ontwikkelde zich het zogenaamde semi-pelagianisme, dat een middenweg tussen Pelagius en Augustinus ontwikkelde. Deze leer zag het verkrijgen van de verlossing als vrucht van de samenwerking van de verzwakte menselijke wil en de goddelijke genade. Deze visie werd veroordeeld door het concilie van Orange (529). Toch ging, zij het in verzwakte vorm, de middeleeuwse katholieke kerk verder op deze weg, zoals blijkt uit de besluiten van het concilie van Trente. Hierin werd de leer van Luther veroordeeld en uitgesproken dat een mens zich moet voorbereiden op de genade; hij kan dit ook doen door de in de doop ontvangen genade en zo komen tot de rechtvaardiging die de vernieuwing en de heiliging insluit.
De Reformatoren volgden de weg van Augustinus en hielden volledig vast aan het sola gratia en het sola fide. Dit vinden we ook in alle reformatorische belijdenisgeschriften. Naast de bijzondere, reddende genade heeft de gereformeerde theologie ook een leer van de algemene genade of de gemene gratie ontwikkeld. Daaronder verstaat men dat God zijn goedheid over de hele schepping uitspreidt, zonder dat dit nog betekent dat alle mensen behouden worden. In zijn algemene genade houdt God zelf de volledige en definitieve uitbarsting van de zonde tegen en schept zo ruimte voor de menselijke cultuur in al haar facetten (kunst, wetenschap, enzovoorts).
Auteur
K. Runia [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
S.J. Ridderbos, De theologische cultuurbeschouwing van Abraham Kuyper (Kampen 1947)
G.C. Berkouwer, Geloof en rechtvaardiging (Kampen 1949)
G.C. Berkouwer, De Verkiezing Gods (Kampen 1955)
B. Wentsel, Natuur en genade (Kampen 1970)
O. Noordmans, ‘Natuur en genade bij Rome’, Verzameld Werk 6 (Kampen 1986)