Vergeving, vergiffenis.
In de bijbel omschreven als een van de meest wezenlijke eigenschappen van God (Ex. 33:19, Rom. 9:15). Hij is dan ook de ‘God van alle genade’ (1 Petr. 5:10). Hij buigt zich naar de geringe, hulpeloze en zondige mens en helpt hem niet alleen in zijn nood, maar is ook bereid ‘uit vrije gunst alleen’ de zondige mens zijn schuld te vergeven. In zekere zin is ook de schepping een werk van vrije genade, want God was niet gedwongen een werkelijkheid buiten zichzelf te scheppen. In het Oude Testament is echter het meest centrale gegeven de verkiezing van Israël als het speciale verbondsvolk (Deut. 7:7vv., Rom. 9:11v.; 11:5).
De grootste blijk van goddelijke genade is de zending van Jezus Christus, die zijn leven geeft voor de zonde der wereld (Joh. 1:29). Het zenden van zijn zoon is de doorbraak van de goddelijke genade in onze menselijke verlorenheid. Geen wonder dat bijna alle brieven in het Nieuwe Testament beginnen met de genadegroet: ‘Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Here Jezus Christus’ (1 Kor. 1:3).
Auteur
K. Runia [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]