Godsdienstige overtuiging. In het christendom: het vaste en onwankelbare vertrouwen op God en het woord van God.
Het christelijke geloofsbegrip onderscheidt zich van de in de omgangstaal veel voorkomende betekenis: menen, aannemen, een mindere vorm van weten. Deze betekenis stamt uit de Griekse filosofie die kennis boven geloven plaatst. In de filosofie van Hegel kreeg de tegenstelling tussen geloof en weten een klassieke vorm: wat de religie door middel van voorstelling tot uitdrukking brengt, maakt de rede met het begrip doorzichtig en bevattelijk. Deze antropologische aandacht voor geloof als mentale toestand heeft zich in de geschiedenis steeds weer verbonden met een meer door de bijbelse traditie gestempeld geloofsbegrip. Eigen aan het begrip ‘geloof ’ in de bijbel is, dat het gestempeld is door vertrouwen in iets of iemand.
In het Nieuwe Testament is het geloofsbegrip geheel en al bepaald door de persoon van Jezus Christus. Geloof richt zich in de evangeliën op Gods handelen in Jezus van Nazareth. Geloof is dan een vertrouwen op God. Ook is Jezus zelf voorwerp van het vertrouwen. In het Johannesevangelie komt de voorstelling van geloof in Jezus centraal te staan. God handelt in en aan de mens Jezus van Nazareth; door deze invalshoek raakt het geloofsbegrip inhoudelijk verweven met de heilsleer (soteriologie/ verlossing) en de hoop op de wederkomst (eschatologie/voleinding). In de kerkgeschiedenis is de discussie over het geloofsbegrip gestempeld door de filosofische tegenstelling tussen geloven en weten. Bij Tertullianus werd de kloof tussen filosofisch weten en het overgeleverde geloof van de apostelen zo breed dat het tot absolute tegenstellingen komt. Het algemene beeld in de vroege kerk was dat geloof voornamelijk beschouwd wordt als een ‘voor waar houden’, dat moet samengaan met een daad van de wil. De inhoud van het geloof is het geloofsgoed van de kerk. De kerk bewaart, koestert en geeft deel aan de schat van het geloof. Van hieruit ontstond vanaf Augustinus het onderscheid tussen geloof als inhoud (fides quae) en geloven als daad (fides qua). Thomas van Aquino achtte geloof als voor waar houden op zichzelf niet voldoende; geloof moet door de liefde van en tot God eerst nog zijn structuur en richting krijgen.
In de laatmiddeleeuwse theologie werd de noodzaak van de bovennatuurlijke genade in toenemende mate beklemtoond. Deze krijgt bij de mens vorm als houding (habitus). De Reformatie greep terug op bijbelse noties: geloof werd weer verstaan als een persoonlijke relatie met Christus en als betrokkenheid op de goddelijke belofte van heel de mens. In het geloof omvat en omarmt de mens Christus. Geloof is daarom naar zijn wezen vertrouwen (fiducia) en naar zijn structuur een correlatie; in het geloof zijn God en mens samen. De echte tegenstelling is dan niet die van geloof en kennis, maar die van geloof en zonde. Zonde ontstaat daar waar de mens God het vertrouwen weigert. Daarom is bij Luther ongeloof zonde. Ongeloof is niet intellectueel onvermogen; in ongeloof is de hele mens van God afgekeerd. Daarmee leeft het geloof geheel en al van toewending van God naar de mens in Christus. Ook in deze relationele opvatting van geloof is het kenniselement aanwezig, maar niet als onafhankelijk element. De keninhoud heeft zijn plaats binnen de houding van vertrouwen en ontvankelijkheid. Grond van het geloof is daarom ten diepste God zelf of de Heilige Geest. Calvijn is in dit opzicht een leerling van Luther.
Volgens Calvijn is geloof ‘de vaste en zekere kennis van Gods goedgunstigheid jegens ons, die gefundeerd in de waarheid van de vrije belofte in Christus, door de Heilige Geest aan onze geest wordt geopenbaard en aan onze harten wordt bezegeld’ (Institutie 3.2.7). Het geloof als kennis is gefundeerd in het vertrouwen op de in Christus geschonken belofte en het werk van de Heilige Geest. Het geloofsbegrip kan bij Luther noch Calvijn in intellectualistische zin worden opgevat. In het geloof is God door zijn geest zelf werkzaam. Binnen deze werkelijkheid van het geloof vindt de mens zijn identiteit. De mens is door de rechtvaardiging van de goddeloze gekwalificeerd als degene die mag leven van het ‘ja’ van God. Het besef dat geloof niet bestaat zonder een inhoud heeft in de latere ontwikkeling van de reformatorische theologie weer geleid tot een splitsing in het geloofsbegrip.
In de Heidelbergse catechismus wordt gesteld: geloof is ‘niet alleen een stellig weten of kennis, waardoor ik alles voor waarachtig houd wat God ons in zijn Woord geopenbaard heeft, maar ook een vast vertrouwen, dat de Heilige Geest door het evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen aan anderen maar ook aan mij vergeving van zonden, eeuwige gerechtigheid en heil door God geschonken is uit loutere genade, alleen op grond van Christus’ verdienste.’ De onderscheiding van de Heidelbergse catechismus heeft zich in de nadere reformatie en het piëtisme ontwikkeld tot een scheiding tussen historisch geloof en zaligmakend geloof.
Het gebruikelijke onderscheid tussen geloof als daad (fides qua) en geloof als inhoud (fides quae) is echter dogmatisch aanvechtbaar is: ze haalt uiteen wat niet uiteen te halen is. De theologische kwalificatie van geloof ontslaat de mens echter niet van de taak de samenhang te zien van geloof met bijvoorbeeld psychologische of kentheoretische aspecten. Geloof ontstaat en bestaat in samenhang met de gewone levenservaring die onder meer in menswetenschappen aan de orde komt. Allerlei menselijke beseffen en vormen van inhoudelijke kennis kunnen in het geloof worden geïntegreerd; de norm van het geloof wordt echter gevonden in de verschijning van Jezus Christus als openbaring van God.
Auteur
C. van der Kooi [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
R. Smend, M.D. Hooker, E. Jüngel, ‘Glaube’, in: Religion in Geschichte und Gegenwart IV, 944-974
H. Berkhof, Christelijk geloof (Nijkerk 1993 7e druk)