Poging terug te keren naar verloren of bedreigde vormen van geloof (old time religion), moraal en levensgewoonten.
Het treedt op in verschillende godsdiensten en culturen, maar heeft niet overal dezelfde oorzaken. Meestal is het een (afwijzende) reactie op de moderne maatschappij en haar ideeën. De term is van christelijke, Amerikaanse herkomst; hij is ontleend aan een serie publicaties, getiteld Fundamentals, die tussen 1910 en 1915 in Amerika verscheen. Met ‘fundamentals’ werd gedoeld op de fundamentele geloofsartikelen als de letterlijke inspiratie van de bijbel, de maagdelijke geboorte en de opstanding van Christus. In 1919 kwam het tot de oprichting van de World’s Christian Fundamentals Association. Deze gaf de aanzet tot een breed georganiseerd netwerk van conferences, bijbelinstituten en lectuurverspreiding. De beweging speelde in op de oudere Amerikaanse opwekkingstraditie (revivals), waar persoonlijke bekering en verwachting van de wederkomst van Christus (millenniarisme) op de voorgrond stonden. Door het invoeren van wettelijke maatregelen tegen leraren die het darwinisme onderwezen en de daarop volgende heftige discussies ondervond de beweging na 1925 een terugslag. Zij herwon echter haar terrein na 1970 en is thans een niet te onderschatten element van de Amerikaanse samenleving.
In de Amerikaanse kerken had de stroming een aanzienlijke invloed, in het algemeen meer op het kerkvolk dan op de kerkleiding. Ook gezien de vrije Amerikaanse kerkelijkheid hebben de vele organisaties met hun goed georganiseerde uitstraling in de kerken vele aanhangers. Dit zelfde beeld geldt voor Nederland. Afgezien van vrije groepen kan men hier nauwelijks van fundamentalistische kerken spreken, noch bij de traditionele orthodoxie, noch bij de evangelikalen, waar de tendentie tot fundamentalisme het sterkst is.
In het christelijke fundamentalisme spelen drie motieven een grote rol. Allereerst de onfeilbaarheid van de letterlijk opgevatte bijbeltekst. Deze leer heeft zijn wortels in het zeventiende-eeuwse (gereformeerde) protestantisme, waar door vele theologen de opvatting van de ‘mechanische inspiratie’ werd verdedigd. De teksten zouden, onder afzien van de persoonlijke inbreng van de schrijver, door de geest Gods letterlijk zijn gedicteerd. Uiteraard vormt de gedachte van de onfeilbaarheid de basis van alle verdere ‘fundamenten’. Ten tweede is er de afwijzing van wetenschappelijke inzichten. Dit betreft primair de historisch-kritische bijbelwetenschap, zoals die doorgaans ook wordt onderwezen in de door de kerken aanvaarde theologische opleidingen. Deze afwijzing waaiert uit naar de verwerping van veel algemeen aanvaarde inzichten op natuurkundig, geologisch, biologisch en historisch terrein. Hierbij speelde de discussie over schepping of evolutie een zodanige rol, dat men in Amerika instituten heeft opgericht om wetenschappelijk het ongelijk van de evolutietheorie aan te tonen (creationisme). Ten slotte leidt dit alles op historisch terrein tot de handhaving van het bijbelse historiebeeld dat de geschiedenis tekent als gang van schepping en zondeval, via het verzoeningswerk van Jezus Christus naar de wederkomst van Christus en het laatste oordeel. Dit laatste gegeven voert tot dramatische en soms uitvoerige toekomstvoorspellingen, die de oproep tot bekering ondersteunen.
Sinds 1980 ongeveer heeft de term fundamentalisme een meer algemene betekenis gekregen die de grenzen van het christendom overschrijdt, vooral door verwante ontwikkelingen in de islam. Hier spelen vergelijkbare verschijnselen een rol. Ook hier wil men terug naar de oorspronkelijke, in de oorsprongsteksten (koran) beschreven samenleving. De verwerping van wetenschap en moderniteit krijgt hier de vorm van afwijzing van de globale, vooral door Amerika gepraktiseerde en gesymboliseerde technisch-economische consumptiecultuur. Het historiebeeld richt zich op de verwerkelijking van een ideale, wetsgetrouwe islamitische samenleving. Daarnaast spelen motieven een rol die van het christendom afwijken, zoals anti-kolonialisme, urbanisering, gevoelens van achterstelling en frustratie. Daardoor krijgt het islamitische fundamentalisme een militante strekking, die ertoe neigt bepaalde symbolen (bijvoorbeeld hoofddoek) te ideologiseren, zich tegen democratische ontwikkelingen (scheiding van kerk en staat) te verzetten, en in sommige gevallen een uitweg te zoeken in een oorlog met alle middelen (terrorisme).
Door bovengenoemde verbreding van het begrip wordt thans ook bij andere groepen, zoals de rooms-katholieken, het jodendom, de Japanse godsdienst, sekten, enzovoorts van fundamentalisme gesproken. Het begrip kan zich hierdoor verbreden tot een interpretatie van de godsdienst als in wezen intolerant en fanatiek in zijn verspreidingsdrang, vooral waar hij wordt bedreigd. Al bemoeilijkt deze eenzijdige interpretatie het gesprek over het godsgeloof aanzienlijk, het valt niet te ontkennen dat het een wereldwijd verschijnsel is, dat serieuze aandacht verdient van de kerken en de theologie. De huidige wereldsamenleving roept blijkbaar een levenshouding op, die gedreven wordt door het verlangen naar een verloren wereld (geborgenheid), scherpe afgrenzing tegenover andersdenkenden (groepsgevoel en indentiteit), verabsolutering van het eigen standpunt en de identificatie daarvan met de wil van God (zekerheid), totalisering van het engagement op alle levensgebieden (toewijding) en een daaruit voortkomende sterke drang tot actie en organisatie. Men kan het fundamentalisme zien als een antwoord op het post-modernisme met zijn pluralistische en individualistische accenten; in zekere zin vormt het de tegenpool ervan.
De dialoog met het fundamentalisme zal niet kunnen bestaan in een begripsloze afwijzing, maar dient in te gaan op de psychische en sociale oorzaken ervan. Inhoudelijk stelt het fundamentalisme vragen die niet in een handomdraai te beantwoorden zijn. Van belang zijn daarbij: de reikwijdte van het moderne westerse levensontwerp met zijn harde economische en technologische imperialisme; de begrenzing van het moderne individualisme; de rol van het wetenschappelijke wereldbeeld en het daarmee samenhangende, wijd verbreide positivisme en materialisme; en ten slotte de betekenis van de bijbelse waarheid als een door mensen bemiddelde en op een levende persoonlijke ontmoeting gerichte boodschap.
Auteur
H.W. de Knijff [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
E.R. Sandeen, The roots of Fundamentalism (Chicago 1970)
J. Barr, Fundamentalism (Londen 1977)
Ph. Kitcher, Abusing Science. The Case against Creationism (Cambridge Mass./Londen 1982)
J.A. Montsma, De exterritoriale openbaring (Amsterdam 1985)
P. Boele van Hensbroek e.a. (red.), Naar de letter. Beschouwingen over fundamentalisme (Utrecht 1991)
H.L. Beck/K.-W. Merks (red.), Fundamentalisme (Baarn 1994)