Evangelisten zijn de in de bijbel zo genoemde medewerkers van de apostelen bij de verbreiding van het evangelie in de eerste eeuw; of, sinds de derde eeuw, schrijver van een van de vier evangeliën (Matteüs, Marcus, Lucas, Johannes) waarmee het Nieuwe Testament opent; of, vanaf de achttiende eeuw, protestantse verkondigers van het evangelie anders dan een reguliere predikant in kerkelijke dienst.
Deze laatsten stonden veelal in dienst van particuliere organisaties (als Evangelische Maatschappij, Tot Heil des Volks, Vrienden der Waarheid, Confessionele Vereniging) en richtten zich voornamelijk op rand- of buitenkerkelijken in de lagere klassen. In Nederland kwamen evangelisten begin negentiende eeuw op met de zendingsdrang; op het hoogtepunt in 1875 werkten ze op zo’n vijfenzeventig vaste evangelisatieposten; daarnaast waren er reizende evangelisten. Deze predikers op het tweede plan versterkten niet zelden het orthodoxe karakter van de kerk. Naast deze binnenkerkelijke rol kreeg de evangelist betekenis bij de poging de massa die van de kerk verwijderd raakt, te bereiken met het evangelie.
Auteur
George Harinck [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
G.J. Mink, Op het tweede plan. Evangelisten in de tweede helft van de negentiende eeuw (Leiden 1995)