Theologische stroming die tussen 1850 en 1940 medebepalend is geweest voor het kerkelijk en theologisch klimaat in Nederland.
Grondlegger was D. Chantepie de la Saussaye, wiens gedachten door J.H. Gunning jr. werden overgenomen en zelfstandig verwerkt. Tot de tweede generatie werden gerekend J.J.P. Valeton jr., Is. van Dijk en P.D. Chantepie de la Saussaye en tot de derde W.J. Aalders, M. van Rhijn en J.R. Slotemaker de Bruïne. De term ‘ethische theologie’ suggereert een min of meer duidelijk omschreven theologisch stelsel, maar in feite ging het om een bepaalde theologische methode. Daarbij is het begrip ‘ethisch’ van fundamenteel belang. Ethisch wil zeggen dat het handelen van God (bijvoorbeeld in zijn Openbaring) en van de mens geen producten zijn van blinde natuurkrachten, maar de manifestaties zijn van vrije persoonlijkheden. Daarmee bewogen zij zich in het spoor van Duitse theologen als A. Ritschl, R. Rothe en W. Windelband. Kern is steeds dat de Openbaring Gods de mens niet monddood maakt, maar een appèl op hem doet als vrije persoonlijkheid.
De toon van deze theologische stroming is gezet door D. Chantepie de la Saussaye, die echter betrekkelijk jong overleed en in zijn eigen tijd zelden begrepen werd. Anders ligt dat met zijn leerling en geestverwant Gunning, die een grote invloed heeft gehad. Binnen het theologisch krachtenveld van hun dagen grensden zij hun positie naar verschillende kanten af. Zij wilden geen reformatie der kerk langs confessioneel-juridische weg. De kerk moest langs ‘medische weg’ hersteld worden. Dat wilde zeggen: langs een weg van bekering en persoonlijke invloed. Om die reden kwam Gunning dan ook in botsing met A. Kuyper en zijn kerkelijk hervormingsstreven. Zijn jongere geestverwanten van de tweede generatie hebben zich overigens afgekeerd van de kerkelijke strijd. Zij concentreerden zich op hun wetenschappelijk werk en op hun werk als docent.
Een tweede front werd gevormd door de discussie over het goed recht van de historische kritiek. De ethische theologen hadden geen behoefte aan een apologetiek van christelijk geloof en bijbel langs historische weg. Die weg, aanvankelijk voorgestaan door J.I. Doedes en J.J. van Oosterzee, zou naar hun mening nooit veilig kunnen stellen wat men beoogde. Op dit punt kwam Gunning in een heftig conflict met Kuyper. Ook bij monde van Valeton hebben de ethischen zich beijverd voor het goed recht van de historische kritiek. Dit leidde tot heftige discussies met gereformeerden en andere orthodoxe theologen.
Een derde front werd, na de Wet op het Hoger Onderwijs van 1876, gevormd rond de vraag naar het wetenschappelijke karakter van de theologie. Want hoewel de ethischen openstonden voor ontwikkelingen in de bijbelwetenschap en in die zin modern waren, moeten ze in de etymologische zin van het woord supranaturalist worden genoemd. Door de modernen werd hen dan ook halfslachtigheid verweten.
Na de Eerste Wereldoorlog veranderde het culturele klimaat in Nederland. De afstand tot de ethische vaderen werd groter en in de jaren dertig nam de invloed van Karl Barth snel toe, ook onder de ethische theologen. De derde generatie ethischen heeft in de jaren twintig een eigen vereniging gehad, die echter een kwijnend bestaan leidde en (waarschijnlijk) in 1932 al is opgeheven. Eén thema keerde terug, namelijk de vraag naar het herstel van de Hervormde Kerk. Daaraan hebben de ethischen van harte meegewerkt.
Auteur
M.J. Aalders [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
A.J. Rasker, De Nederlandse Hervormde Kerk vanaf 1795. Haar geschiedenis en theologie in de negentiende en twintigste eeuw (Kampen 1974)