Tegenstander van God, in de bijbel ook wel aangeduid als ‘satan’, ‘boze’, ‘slang’, ‘draak’. Als personificatie van het kwaad komt de duivel het meest naar voren in de latere geschriften van het Oude Testament en in het Nieuwe Testament.
Hij wordt getekend als een ontrouw geworden engel, die zich bedient van leugen en verleiding om verzet tegen God te bewerken. Een concentratie van activiteit vertoont de duivel rond Jezus Christus, die uiteindelijk zijn macht gebroken heeft en gezorgd heeft dat de duivel uit de hemel is gebannen. Na het laatste oordeel zal de duivel met al zijn volgelingen de eeuwige straf ondergaan in de ‘poel van vuur’.
Terwijl de eeuwen vóór de Verlichting een realistische beleving van de duivel kenden, is hij sinds de achttiende eeuw grotendeels uit de publieke belangstelling verdwenen. Anderzijds is er een lijn van positieve aandacht voor de duivel als intelligent en onafhankelijk wezen die de mens een beter leven (zonder God) voorspiegelt; vergelijk ook het Mephistoteles-motief zoals dat onder andere in Goethes Faust is uitgewerkt.
Auteur
R.T. te Velde [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
T.H. van der Hoeven, Het imago van satan. Een cultuur-theologisch onderzoek naar een duivels tegenbeeld (Kampen 998)