Discipline binnen de theologie betreffende de ontwikkeling van de christelijke leer.
Aangezien een dogma in de vroege kerk en in de Middeleeuwen gold als onveranderlijke door God geschonken waarheid, kon van dogmengeschiedenis als vak pas sprake zijn nadat in de Reformatie het gezag van de bijbel nadrukkelijk boven de traditie was geplaatst. De historische betrekkelijkheid van een kerkelijk dogma maakte een kritische beschouwing van de leerontwikkeling mogelijk. Het hoogtepunt van de dogmengeschiedenis ligt in de negentiende eeuw, bij F.C. Baur en A. von Harnack. Baur beschrijft de dogmengeschiedenis onder invloed van Hegel als een logisch en noodzakelijk proces van het religieuze bewustzijn. Harnack erkent de grootse prestatie van de kerkelijke leerontwikkeling, maar is van oordeel dat het kerkelijke dogma haar taak vervuld heeft en dat het nu zaak is de kerkelijke leer te confronteren met de verkondiging van Jezus.
In de academische dogmengeschiedenis is de polemische ondertoon gaandeweg verdwenen. De kritische functie van de oudere dogmengeschiedenis werkt tot op heden in brede kring door, vooral in de opvatting dat er een tegenstelling zou bestaan tussen het onbedorven begin van het evangelie, de verkondiging van Jezus, en de historische verwording ervan, bij Paulus en in de oude kerk.
Auteur
C. van der Kooi [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
E.P. Meijering, ‘Dogmengeschichte’ in: Religion in Geschichte und Gegenwart 2, 906-908