Vanaf de vroege Griekse wijsbegeerte de vaste grondhouding van waaruit de mens bekwaam wordt tot het moreel goede handelen en van waaruit hij de bij hem passende handeling op een volkomen wijze en graag tot stand brengt.
Daardoor wordt hij zelf een goed mens (Grieks: arètè; Latijn: virtus). Er zijn vier belangrijke, ‘natuurlijke’ deugden die worden onderscheiden: de zogenaamde kardinale (dat wil zeggen cruciale) deugden rechtvaardigheid (iustitia), vooruitziendheid (prudentia), moed (fortitudo) en gematigdheid (temperantia). Daarnaast zijn er een groot aantal andere. In diverse periodes en culturen worden andere deugden belangrijk gevonden, zoals soberheid en zuinigheid of bijvoorbeeld waarachtigheid. In het christelijke geloof en de theologie worden daarnaast geloof, hoop en liefde als drie deugden (sinds Thomas van Aquino, dertiende eeuw) gekend: ze heten theologische (of: theologale) deugden, omdat die houdingen de mens op God richten, maar ook vanwege de omgekeerde beweging: de mens ontwikkelt die niet op eigen kracht, God schenkt die deugden.
Auteur
F.J.H. Vosman [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
R. Crisp, M. Slote (ed.), Virtue Ethics (Oxford 1997)
P. van Tongeren, Deugdelijk leven. Een inleiding in de deugdethiek (Amsterdam 2003)