Bijbel. Van het Griekse kanôn, dat maatstaf, regel, richtsnoer betekent. In verband met de bijbel duidt canon op de lijst van boeken van het Oude en Nieuwe Testament die vanouds in de kerk worden erkend als door God geïnspireerd en als gezaghebbend voor het geloof en de leer; waaruit in de kerkdiensten wordt voorgelezen en waarover in kerkdiensten wordt gepreekt (Nederlandse geloofsbelijdenis art. 2-5).
Voor het begin van de christelijke jaartelling is er onder de joden een min of meer afgeronde verzameling van gezaghebbende Hebreeuwse boeken ontstaan (met enkele gedeelten in het Aramees), zonder dat deze ooit als canon per decreet is vastgesteld. Het gezag van de boeken Prediker en Hooglied stond toen nog niet geheel vast. Van de Hebreeuwse bijbel was een Griekse vertaling gemaakt, de Septuagint. Deze wijkt echter regelmatig af van de nu bekende Hebreeuwse tekst en omvat ook andere geschriften (apocriefen). Voor het Oude Testament heeft de christelijke kerk zich aanvankelijk gebaseerd op de Septuagint. Daarnaast werden ook de boeken van Henoch soms als gezaghebbend beschouwd.
De oosterse kerken baseren zich nog steeds op de Griekse canon van het Oude Testament volgens de Septuagint. De calvinistische kerken beperken zich tot de Hebreeuwse canon, de Rooms-Katholieke Kerk, de lutherse kerken en de Oud-katholieke kerk erkennen daarnaast ook de ‘deuterocanonieke boeken’ van de Septuagint.
Zo bestaat de canon van het Oude Testament in de eerste plaats uit de volgende in het Hebreeuws (en ten dele Aramees) overgeleverde boeken: Genesis, Exodus, Leviticus, Numeri, Deuteronomium, Jozua, Richteren (of: Rechters), Ruth, 1-2 Samuel, 1-2 Koningen, 1-2 Kronieken, Ezra, Nehemia, Esther, Job, Psalmen, Spreuken, Prediker, Hooglied, Jesaja, Jeremia, Klaagliederen, Ezechiël, Daniël, Hosea, Joël, Amos, Obadja, Jona, Micha, Nahum, Habakuk, Sefanja, Haggai, Zacharia, Maleachi. Voor de deuterocanonieke boeken zie men bij Apocriefen.
De canon van het Nieuwe Testament is in de loop van de eerste vijf eeuwen van de christelijke jaartelling ontstaan. Hij bestaat uit de evangeliën van Matteüs, Marcus, Lucas en Johannes, de Handelingen der apostelen, de brieven van Paulus aan de Romeinen, 1-2 Korintiërs, Galaten, Efeziërs, Filippenzen, Kolossenzen, 1-2 Tessalonicenzen en Filemon; de anonieme brief aan de Hebreeën, de brief van Jakobus, twee brieven van Petrus, drie brieven van Johannes, een brief van Judas en de Openbaring van Johannes. In de eerste eeuwen werden Hebreeën, 2-3 Johannes, 2 Petrus, Jakobus, Judas en de Openbaring van Johannes niet overal als gezaghebbend erkend. Daarentegen werd eeuwenlang wel een groot gezag toegekend aan geschriften zoals de brief van Clemens aan de Korintiërs, de brief van Barnabas en de Herder van Hermas. Voor andere vroegchristelijke geschriften die niet in de canon zijn opgenomen zie apocriefen.
De nieuwtestamentische canon is in zijn huidige vorm voor het eerst opgesomd in 367 door bisschop Athanasius van Alexandrië. De synode van Hippo van 393 en de synodes van Carthago van 397 en 419 hebben de groeiende consensus over de canon bevestigd.
Auteur
Riemer Roukema [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
J.L. Koole, ‘Omtrekken van het Oude Testament in de vóór-christelijke tijd’ en ‘De nieuwtestamentische
tijd’, in: A. van der Woude e.a. (red.), Bijbels Handboek, IIb (Kampen 1983)
R.T. Beckwith, The Old Testament Canon of the New Testament Church and its Background in Early
Judaism (Grand Rapids 1985)
A.F.J. Klijn, ‘De canon van het Nieuwe Testament’, in: A. van der Woude e.a. (red.), Bijbels Handboek,
III (Kampen 1987)
L.M. McDonald, The Formation of the Christian Biblical Canon (Peabody 1995)
B.M. Metzger, The Canon of the New Testament. Its Origin, Development, and Significance (Oxford
1997)
Gebed. Het eucharistisch gebed dat vanaf de christelijke Oudheid is gebruikt in de Romeinse en in de Ambrosiaanse liturgie. Tot 1967, resp. 1976 kenden beide tradities naast de canon geen ander eucharistisch gebed. Wel zijn er in de tekst enkele passages – waaronder de prefatie – die variëren al naargelang de feesten en de perioden van het liturgisch jaar.
De term ‘canon’ is via het Latijn afkomstig uit het Grieks en betekent ‘richtsnoer’. In de oudste bronnen wordt het gecombineerd met de genitivus van het woord ‘actio’ (handelen). ‘Canon actionis’ betekent daar ‘richtsnoer van het (liturgisch) handelen (tijdens het eucharistisch gebed)’.
De ontstaansgeschiedenis van de Romeinse canon is in nevelen gehuld. De oudste sporen komen wij tegen bij Ambrosius die gedeelten uit een oude versie van de canon citeert. In de zevende eeuw ligt de tekst vrijwel vast. Wat opvalt, is dat de canon geen strakke thematische eenheid vormt, maar bestaat uit een aaneenschakeling van min of meer losse gebeden die desondanks een dramatische opbouw vertonen. De tekst begint met de prefatie die uitmondt in het Sanctus. Daarop volgt een gebed dat begint met de woorden Te igitur. Daarin wordt God gevraagd om het offer van lof en dank dat de Kerk hem aanbiedt te willen aanvaarden. De daarop volgende delen, met name het memento van de levenden, borduren voort op dit thema. Hierop volgt de consecratie die bestaat uit de instellingswoorden. Het effect van het reciteren van deze woorden is dat het offer van de gemeente wordt verbonden met dat van Christus wiens bloed werd vergoten voor velen ( Matth. 26:28). In de gedeelten die hierop volgen wordt God opnieuw gevraagd het offer van de gemeente te willen aanvaarden, zoals hij dat ook met de offers van Abel, Abraham en Melchisedech heeft gedaan. In het memento van de overledenen, een gedeelte dat volgens sommigen later is ingevoegd, wordt God gevraagd de gestorvenen te gedenken. Zeer opmerkelijk is tenslotte dat in tegenstelling tot vrijwel alle oosterse eucharistische gebeden een epiclese, een aanroeping van de Heilige Geest over de gaven en de gelovigen, ontbreekt. Daardoor ligt de nadruk sterker dan in de oosterse gebeden op de instellingswoorden die door de priester namens Christus worden uitgesproken en die de verandering van brood en wijn in het lichaam en bloed van Christus tot stand brengen (transsubstantiatie).
Toen de canon in de vroege Middeleeuwen vanuit Rome werd ingevoerd in de kerken ten noorden van de Alpen, onderging de (Latijnse) tekst nauwelijks veranderingen. De meest opmerkelijke wijziging bestond er in dat in het memento van de levenden een zinsnede werd ingevoegd die veronderstelt dat niet de gemeente zelf haar eigen offer aan God aanbiedt, maar dat de priester dat doet ten behoeve van de gelovigen. Terwijl de tekst, afgezien van deze cruciale ingreep weinig wijzigingen onderging, veranderde de liturgische setting waarin de canon functioneerde, des te ingrijpender. Het gedeelte na het Sanctus werd niet meer hardop gereciteerd, maar zachtjes gefluisterd. Het gevolg daarvan was dat de prefatie werd beschouwd als een inleiding op de eigenlijke canon die begon bij het Te igitur. De toename van het aantal gebaren die door de priester werden verricht, droegen verder bij aan het mysterieuze karakter van de tekst. Bovendien ontstond rond 1200 het gebruik om de hostie na de instellingswoorden op te heffen. Deze opheffing werd, samen met de instellingswoorden, als het rituele hoogtepunt van de canon beschouwd.
De reformatoren van de zestiende eeuw hadden principiële bezwaren tegen de canon vanwege de dominante aanwezigheid van de offerthematiek. Daarom hebben ze de canon, met uitzondering van de nieuwtestamentische instellingswoorden, afgeschaft. In de Rooms-Katholieke Kerk is de canon tot op de dag van vandaag in gebruik gebleven, hoewel hij zijn monopoliepositie heeft verloren. Prefatie en canon worden weer als een eenheid beschouwd en beide kunnen in de volkstaal worden gebeden.
Auteur
Gerard Rouwhorst [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
J. Jungmann, Missarum sollemnia II, Wenen-Freiburg 1958 4de druk, deel I, 63-77; II, 127-340
E. Mazza, The Eucharistic Prayers of the Roman Rite, New York 1986, 49-87
G.Willis, A History of the Early Roman Liturgy, Henry Bradshaw Society, Subsidia 1, London 1994, 23-67