Stroming in de middeleeuwse theologie en filosofie, die de rede en het geloof in wisselwerking wilde zien.
Breder opgevat staat augustinisme voor de doorwerking van de opvattingen van Augustinus in verschillende takken van wetenschap. Aan politiek augustinisme ligt de middeleeuwse interpretatie ten grondslag van De stad Gods, Augustinus’ denken over kerk en staat. Dit idee leidde tot de tweerijkenleer die in de Middeleeuwen de scheiding van de macht tussen kerk en staat legitimeerde.
Het filosofisch augustinisme stelt in de navolging van Augustinus centraal, dat de rede samen met het geloof en de liefde ten dienste staat van de waarheidsvinding, terwijl het theologisch augustinisme met name duidt op de doorwerking van Augustinus’ genadeleer. Beide baseren zich op Augustinus’ inzicht dat de liefde (caritas) de kracht is waarin alles en allen pas echt gekend worden. ‘Een zaak wordt gekend in de mate waarin deze wordt bemind’. Daarom stelt Augustinus dat de caritas het exegetische principe moet zijn. Daarbij komt, dat het intensiveren van de liefde tot God en de naaste, het doel is van de Heilige Schrift; elke uitleg moet met dit doel stroken. In vele werken laat hij doorschemeren dat de caritas de kracht is waardoor de mens moreel verantwoord handelt en zich op God richt. Tegelijk blijkt hij de caritas ook als genadegave van Godswege te beschouwen (cf. Rom. 5:5). Soms is onduidelijk of Augustinus met caritas nu een menselijke of goddelijke kracht aanduidt.
Het filosofisch augustinisme bleef gedurende de Middeleeuwen trouw aan de omgang met de Schrift die in de eerste eeuwen door de kerkvaders was ontwikkeld. In de scholastiek van de universiteiten werd gepoogd punten uit de geloofsleer inzichtelijk te maken op grond van redelijke argumenten en logische argumentatie. In monastieke kringen bleef verzet tegen deze vorm van theologie omdat de ervaring, affectie en intuïtie als kenprincipes werden veronachtzaamd. Zo werd Abelardus, een geleerde die in zijn Sic et non aan de rede en aan logisch redeneren de voorkeur gaf, bestreden door de cisterciënzer Bernardus van Clairvaux. Deze benadrukte met Hugo en Richard van St. Victor het belang van de mystiek van de liefde, waarmee zij een belangrijk aspect van het augustinisme trouw bleven.
In de moderne filosofie is er van augustinisme in strikte zin geen sprake. Dit neemt niet weg dat bijvoorbeeld Leibniz en Schelling Augustinus’ idee overnemen over het kwaad als afwezigheid van het goede, zonder dit aan de erfzondeleer te verbinden. Scheler sloot zich in zijn waardenfilosofie uitdrukkelijk bij de gedachte van de ordo amoris aan. Het theologisch augustinisme kreeg gestalte in de discussie over de verhouding van de menselijke natuur tot de goddelijke genade. Pelagius ontkende dat de mens door de zondeval intrinsiek tot het kwade geneigd was. De mens is met een vrije wil geschapen. Augustinus beklemtoonde dat de menselijke wil door de zondeval was aangetast en dat de mens genade behoeft. De strijd rond genade en vrije wil zou steeds weer oplaaien.
In de Reformatie verzetten Luther en Calvijn zich tegen het pelagianisme dat naar hun idee in de kerk hoogtij vierde, omdat er nadruk werd gelegd op het aandeel van de mens bij het verwerven van de eeuwigheid. Zij grepen terug op Augustinus’ interpretatie van Paulus en beklemtoonden de zwakheid van de mens. De door God geschonken genade zagen zij als enige grond voor de rechtvaardiging. De Leuvense hoogleraar Michael Baius (1513-1589) en de bisschop van Ieper, C. Jansenius (1585-1638) benadrukten van katholieke zijde het onvermogen van de mens en de noodzaak van de genade. De Spaanse jezuïet Luis de Molina (1536-1600) nam een tegenovergesteld standpunt in en kende een grote plaats toe aan de eigen werkzaamheid van de mens. Op het werk van Augustinus werden dus de meest tegengestelde ideeën gebaseerd.
Auteur
P. van Geest [uit: G. Harinck e.a.(red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
W. Eckermann, ‘Augustinerschule’, in: Lexikon für Theologie und Kirche. Dl. 1 (Freiburg-Basel-Wien 1993), kol. 1238-1240
W. Geerlings, ‘Augustinismus’, in: Lexikon für Theologie und Kirche. Dl. 1 (Freiburg-Basel-Wien 1993), kol. 1245-1247