Afwijzing van de joodse religie.
Een overtuiging die altijd heeft bestaan en zich richtte tegen de joodse overtuiging een ‘uitverkoren volk’ te zijn. De latere christelijke afwijzing van de joodse religie is gebaseerd op de overtuiging dat het christendom het jodendom ‘vervangen’ heeft. Jezus brak met het zogenaamde wetticisme van het jodendom en stichtte de kerk die de rechten van het oude Israël overnam en zelf het ‘nieuwe Israël’ werd. Ook werd aangenomen dat de joodse visie op een ‘aardse’ messias vervangen was door een christelijke visie op Jezus als een spirituele messias. Het jodendom werd gezien als een zinloos voortbestaan van een oude vorm van een particuliere religie in een nieuwe tijd, zonder actuele betekenis. Deze visie kreeg gestalte na de vernietiging door de Romeinen van de tempel te Jeruzalem (70). Een variant op de substitutiegedachte is het integratiemodel. De kerk vervangt wel de synagoge, maar sluit ook een ‘rest van Israël’ in die Jezus wel als messias aanvaardt.
Er bestaat de laatste jaren een discussie over de vraag of deze anti-judaïstische theologie al aanwezig is in de teksten van het evangelie, met name bij Matteüs en Johannes. De substitutietheologie bleef gangbaar in de katholieke, protestantse en orthodoxe kerken, ook in Nederland, tot de jaren zestig van de twintigste eeuw.
Omdat de kerk het nieuwe Israël was, moesten de joden zich bekeren tot de kerk en Jezus als de messias aanvaarden. In protestantse kerken heeft deze visie geleid tot een actieve vorm van jodenzending. In de Rooms-Katholieke Kerk bestond een indirecte vorm van jodenmissie: bekering door gebed en voorbeeld. Deze bekeringstheologie kon in bepaalde protestantse en in katholieke kringen een chiliastische gestalte aannemen. Hierin was het actuele jodendom wel degelijk van belang. Voorzegd zou zijn dat de joden zich aan het einde der tijden zullen bekeren, individueel dan wel collectief. Teken van het aanbreken van een aan de eindtijd voorafgaand ‘duizendjarig rijk’ (chiliasme) is de fysieke terugkeer van de joden naar Palestina. Deze opvatting lag aan de basis van een theologische legitimatie van het zionisme in bepaalde protestantse en, in geringere mate, in katholieke kringen.
De ervaring van de sjoa (zie holocaust) en de discussie over de (mede)verantwoordelijkheid en schuld van het christendom heeft na 1945 een theologische herbezinning op gang gebracht. De substitutie- en bekeringsgedachte werd gaandeweg vervangen door een theologie over het ‘mysterie van Israël’, over een dialoog met het jodendom als ‘oudste broeder’ en over blijvende heilsbetekenis van het jodendom. Christendom en jodendom worden nu gezien als twee complementaire heilsbewegingen, in dialoog met elkaar, maar ook in een kritisch gesprek. Daarbij wordt benadrukt dat het unieke heil van God via Israël in de wereld gekomen is en dat de kerk participeert in deze tot nu toe voortdurende zending van Israël. Over de relatie tussen land, volk en religie in het jodendom, actueel geworden na de vestiging van de staat Israël (1948), blijft verschil van mening binnen deze nieuwe opstelling.
De katholieke kerk heeft in de verklaring Nostra Aetate (1965) tijdens het Tweede Vaticaans Concilie een eerste stap gezet op weg naar een nieuwe visie op het jodendom. In Nederland heeft de in 1951 opgerichte Katholieke Raad voor Israël met haar eerste voorzitter A.C. Ramselaar een belangrijke rol gespeeld in de theologische herbezinning. In de Gereformeerde Kerken in Nederland begon het veranderingsproces in de jaren vijftig. In de jaren zestig droegen theologen als G.C. Berkhouwer en C.B. Bavinck bij aan de verandering van de theologie, al blijven anderen vasthouden dat het zendingsbevel van Christus ‘onopgeefbaar’ is. Ook in de Hervormde Kerk maakte in de tweede helft van de twintigste eeuw onder invloed van theologen als K.H. Miskotte, A.A. van Ruler en H. Berkhof de oude theologie plaats voor een dialoog met en herwaardering van het jodendom. Daarbij speelt de Hervormde Raad voor kerk en Israël (1942) onder leiding van J.H. Grolle na de oorlog een belangrijke rol. Centraal staat het ‘gesprek met Israël’. Het synodale geschrift Israël en de kerk (1959) markeert een waterscheiding met de oude theologie.
Zie ook: antisemitisme en antizionisme.
Auteur
Theo van Salemink [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
Jos. Cools e.a., Het mysterie van Israël (Utrecht/ Antwerpen 1957)
Ton van Schaik, Vertrouwde vreemden. Betrekkingen tussen katholieken en joden in Nederland 1930- 1990 (Baarn 1992)
Jan Bastiaanse, De Jodenzending en de eerste decennia van de Hervormde Raad voor Kerk en Israël (Zoetermeer 1995)
Gert van Klinken, Opvattingen in de gereformeerde kerken in Nederland over het Jodendom 1896-1970 (Kampen 1996)
Marcel Poorthuis en Theo Salemink, Op zoek naar de blauwe ruiter. Sophie van Leer. Een leven tussen avant-garde, jodendom en christendom (Nijmegen 2000)