Gereformeerd predikant (Hasselt 11 augustus 1886 - Zeist 28 juni 1956)
Na zijn theologische studie te Utrecht, was Woelderink van 1909-1950 Nederlands-hervormd predikant. Utrecht verleende hem in 1951 een eredoctoraat. Woelderink publiceerde regelmatig in De Waarheidsvriend (van de Gereformeerde Bond). In 1938 bedankte hij als lid van het hoofdbestuur voor de bond, in 1946 ook voor het lidmaatschap. In zijn theologie stond het verbond der genade centraal. God sloot het verbond met de gelovigen en hun kinderen.
Voor allen is de belofte van het verbond, met het geloof als weg om het beloofde heil te ontvangen. Woelde-rink was een geharnast bestrijder van de opvatting dat God het verbond had opgericht met de uitverkorenen. Dit werd onder meer geleerd in de Gereformeerde Gemeenten (G.H. Kersten) en in de jaren veertig door de generale synode van de Gereformeerde Kerken (A. Kuyper). Over deze thematiek schreef Woelderink Het doopsformulier (1938). Hij had een diepe afkeer van het subjectivisme en schreef daarom De gevaren der doopersche geestesstrooming (1941). Met zijn leer van de ‘onkenbaarheid van de geheime uitverkiezing’ kwam hij uiteindelijk in botsing met de Dordtse Leerregels.
Auteur
H. Veldman [uit: G. Harinck e.a. (red.), Christelijke Encyclopedie (Kampen 2005)]
Verder lezen
H.J.C.C.J. Wilschut, J.G. Woelderink: om de ‘vaste grond des geloofs’ (Heerenveen 2000)