Faber, Heye

heye faber.JPG

Vrijzinnig theoloog en godsdienstpsycholoog (Noordwijk [Gr.] 1907 - Maarn 16 maart 2001)

In augustus 1991, nadat hij zijn autobiografie in manuscript had voltooid, stond hij ’s morgens vroeg opeens angstig en paniekerig aan de rand van het bed. ‘Ik ben zo alleen,’ stamelde hij hevig snikkend tegen zijn vrouw. Helemaal onverwacht kwam de inzinking niet; de achterliggende maanden was Faber meer dan eens door angstgevoelens overmand geweest. Het schrijven over zijn leven had een psychische probleemgebied naar de oppervlakte gestuwd: opgegroeid in een druk predikantsgezin, waarin voor empathie weinig tijd was, had hij van jongs af aan een verstandsleven geleid. Dit had hem in zijn huwelijk danig parten gespeeld, maar pas toen hij zijn levensverhaal op schrift stelde kwamen de verdrongen gevoelens los.

Heye Faber werd als oudste van vier kinderen geboren in het Groningse Noordwijk, de eerste standplaats van zijn vader als hervormd predikant die de richtingenstrijd binnen de kerk haatte. Zijn volgende twee standplaatsen lagen in Drenthe: Wapserveen en Gasselt waar Heye voor het eerst naar school ging. In 1915 nam zijn vader een beroep naar het West-Friese Andijk aan, tussen Medemblik en Hoorn, waar het gezin drie jaar woonde en ‘wij echte dorpsjongens werden,’ zo schreef Heye in zijn memoires. ‘Wij liepen op klompen, wilden niet zoals onze neefjes in de stad kniekousen dragen.’ Maar de vierde standplaats van zijn vader was een stad: Tilburg. Heye ging er niet naar school. ‘Mijn ouder wilden mij liever niet op een rooms-katholieke school in Tilburg doen en kozen voor het stedelijk gymnasium in Breda.’ Dus ging hij zes jaar lang met de trein op en neer, zes dagen in de week.

In 1925 ging Faber theologie studeren in Leiden. H.T. de Graaf, een vriend van zijn ouders, werd zijn leermeester. In 1927 en 1928 studeerde Faber een semester in Duitsland, respectievelijk in Marburg en Heidelberg waar hij het prille nationaal-socialisme leerde kennen. Door De Graafs dood, in 1930, legde Faber zijn doctoraalexamen bij L.J. van Holk af die ook zijn promotor werd. Drie jaar later promoveerde Faber op De geschiedenis als theologisch probleem, een studie over het boek Der Historismus und seine Probleme van de Duitse godsdienstfilosoof Ernst Troeltsch.

De jonge doctor was inmiddels predikant in Velsen-IJmuiden. Hij sloot zich niet in zijn gemeente op. Tijdens zijn studiejaren had de VCSB, waarvan hij preses was geweest, Fabers blikveld verruimd; hij had zicht gekregen op de (cultuur)problemen van de modern-industriële samenleving en de taak van de kerk daarin. De samenleving kwam na 1933 onder grote druk te staan, van massawerkloosheid en fascisme, wat Faber tot apostel van het volkseenheiddenken maakte. Wilde Nederland beide gevaren het hoofd bieden dan moest het hokjesdenken worden uitgebannen, zonder in autoritair vaarwater te geraken. Levensbeschouwelijke en culturele stromingen moesten, levensaders van Nederlands volksgemeenschap, de vrije loop blijven hebben. Een reis door nazi-Duitsland, voorjaar 1934, als secretaris van het Internationaal Verbond voor Vrijzinnig Christendom, had Faber met eigen ogen doen zien hoe geestelijke vrijheid werd vermalen in een monsterlijk gelijkschakelingsproces. Toen de NSB een jaar later bij de stembus voor de provinciale staten een sensationele uitslag boekte gaf Faber de stoot tot de oprichting van een tegenbeweging, Eenheid door Democratie (EDD), waarvan hij de eerste voorzitter werd.

In 1937 verliet Faber Velsen-IJmuiden en werd in Schiedam predikant bij de afdeling van de NPB. Een jaar later verscheen Naar wijder horizon waarin hij de crisis en de toekomst van de West-Europese democratie bezag. Het boek was weerslag van zijn EDD-werk waarvan hij voorzitterschap aan W. Schermerhorn, de latere premier, had overgedragen. De oorlogsjaren bracht Faber, wijd en zijd bekend als bestrijder van het nationaal-socialisme, in onderduik door, een periode waarin hij zich op de psychologiestudie stortte. Dit leidde uiteindelijk tot een tweede promotie in 1956, op het proefschrift Over ziek zijn, vrucht van zijn pastoraal werk in ziekenhuizen.

Twee jaar later verruilde Faber zijn predikantschap – sinds 1948 diende hij de NPB-gemeente in Wassenaar – voor een aanstelling als wetenschappelijk hoofdambtenaar aan de Leidse universiteit waar hij later lector werd. In 1968 werd Faber hoogleraar godsdienstpsychologie aan de Katholieke Hogeschool in Tilburg, de stad waar hij zijn tienerjaren had doorgebracht. Als godsdienstpsycholoog en verbreider van de Klinisch pastorale vorming groeide hij uit tot een geleerde van  formaat, ook in het buitenland.

Auteur
Peter Bak, voor Protestant.nl
19 augustus 2009

Verder lezen
H. Faber, Rekenschap van een zoekocht. Autobiografie (Baarn 1993)
J.A. Belzen, ‘The end of an Era: Farewell to Heye Faber' (1907-2001), The international journal for the psychology of religion, 12 (I), 53-57