Theoloog, wijsgeer, literair criticus en kunsthistoricus (Amsterdam 8 april 1831 - Almen 27 mei 1896)
Vijftien jaar lang ging Piersons gemoedsleven gebukt onder ‘twee luide stemmen’, van het Reveil en van het modernisme. Tijdens zijn in 1849 aangevangen studententijd maakte Pierson zich los van het orthodoxe geloof van zijn ouderlijk huis, waar Reveilvoortrekker Da Costa regelmatig over de vloer kwam, en werd hij door C.W. Opzoomer voor de moderne theologie gewonnen. God de Almachtige bestond niet, Jezus was hoogstens een historische figuur geweest; opstanding uit de dood en andere bijbelse wonderen dienden metaforisch te worden uitgelegd. Water kan nu eenmaal niet in wijn veranderen.
Toch besteeg Pierson de kansel, en verzweeg zijn moderne opvattingen niet. ‘Toneelspel of vroom bedrog’ wierp hij verre van zich; hij wilde zijn gemeente niet om de tuin leiden. Maar Pierson kon het Reveilgeloof van zijn jonge jaren moeilijk vaarwel zeggen. Het hart stond het zegevieren van het verstand in de weg; kil empirisme schrikte Pierson af. Zijn innerlijke tweestrijd bracht hem er in 1865 weliswaar toe zijn toga aan de wilgen te hangen, maar radicaal met het geloof breken kon Pierson niet. ‘Zelfs zij,’ schreef hij drie jaar later, ‘die in den godsdienst niets meer kunnen zien dan een dichterlijken droom, moeten – naar mijne overtuiging – blijven erkennen dat, wanneer deze droom verbroken is, geen andere begoocheling het in de verte bij de eerste in zoetheid haalt.’
Allard Piersons geboortehuis stond in Amsterdam waar hij als tweede van zes kinderen opgroeide in een welgesteld koopmansgezin. Allard was een vroegrijp, ernstig kind dat zich al op vijftienjarige leeftijd boog over de geruchtmakende rede waarmee zijn latere leermeester Opzoomer zijn leeropdracht in de filosofie aan de Utrechtse rijksuniversiteit had aanvaard. Drie jaar later voegde hij zich onder Opzoomers gehoor, als student theologie die het corpsleven meed en door zijn hoogleraren moest worden gemaand niet te hard te studeren. Onder invloed van Opzoomer keerde Pierson de Reveilvroomheid de rug toe, zonder (naar het voorbeeld van de leermeester) in radicaal rationalisme te vervallen. Gevoel, emotie en hartstocht bleven sterke drijfveren, voorzien van een artistiek accent. Kunst en wetenschap gingen hand in hand. Shakespeare en Goethe bekoorden evenzeer als Israëls profeten.
De adviezen, ook van zijn vader, zich niet over de kop te studeren waren aan dovemansoren gericht. Begin 1854, vierenhalf jaar na zijn inschrijving, voltooide Pierson zijn studie, inclusief promotie summa cum laude op een proefschrift over de verhouding tussen scholastisch realisme en nominalisme. Kort daarna trad Pierson in het huwelijk en vertrok hij naar België waar hij in Leuven als evangelisatiepredikant aan de slag ging. Drie jaar later, in 1857, aanvaardde Pierson een beroep van de Waalse gemeente in Rotterdam. In de havenstad gaf hij meer en meer ruchtbaarheid aan zijn modern-theologische opvattingen, in woord en geschrift. Rigting en leven, de brochure die in 1863 verscheen en waarin Pierson kerk en orthodoxie bekritiseerde, werd een jaar later gevolgd door het felle Onverdraagzaamheid dat preludeerde op zijn beslissing het domineesambt neer te leggen. Hiermee trad Pierson in de voetsporen van zijn vriend Busken Huet die de kansel een aantal jaren eerder vaarwel had gezegd.
Maar waar Busken Huet zijn verdere leven wijdde aan het met wortel en tak uitroeien van het geloof (wilde men het christendom moderniseren, dan kon men het beter vernietigen), kon Pierson het niet loslaten. In het Duitse Heidelberg, waar hij van 1870 tot 1874 buitengewoon hoogleraar kerkgeschiedenis was, ging hij zelfs weer in kerkdiensten voor. ‘Honger en dorst naar het Oneindige’ deden Piersons opvattingen evolueren van naturalisme naar ‘ethisch idealisme’, vervolgens naar agnosticisme. Het verstand was, op de keper beschouwd, allerminst de aangewezen toegang tot het beste in de mens. Later zou Pierson zich politiek tot het socialisme aangetrokken gaan voelen. ‘Het socialisme is het Reveil van dezen tijd,’ schreef hij in 1888.
Op grond van zijn ongekende eruditie werd Pierson in 1877 door zijn geboortestad tot hoogleraar esthetica en kunstgeschiedenis benoemd. Een serie studies over de westerse beschaving, Geestelijke voorouders, waaraan hij tijdens zijn professorale jaren werkte, bleef onvoltooid. Na verschijning van het derde deel, in 1893, kreeg Pierson met een nierziekte te kampen die hem er eind 1895 toe dwong ontslag te nemen als hoogleraar. Hij overleed een halfjaar later.
Auteur
Peter Bak, voor Protestant.nl
29 augustus 2011
Verder lezen
D.A. de Graaf, Het leven van Allard Pierson (Groningen 1962)
Pierre H. Dubois, Over Allard Pierson (Den Haag 1977)
Hans Trapman, 'Een daad van zelfbehoud'. Allard Piersons brochure Aan zijne laatste gemeente (1865) en de reacties daarop’, in: F.G.M. Broeyer en D.Th. Kuiper (red.), Is 't waar of niet? Ophefmakende publicaties uit de 'lange' negentiende eeuw (Zoetermeer 2005) 192-214
Informatie op internet
Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlandse protestantisme