Predikant (Hengelo [Ov.] 5 mei 1904 - Amsterdam 20 oktober 1983)
Kroon was een verbale geweldenaar. Zijn preken waren ware krachtoefeningen. Woorden die als rotsblokken over de hoofden van de toehoorders heen kletterden, met veel gesnuif en gewring. ‘Wie Kroon heeft meegemaakt, ziet het,’ schreef pater Van Kilsdonk eens. ‘Hij begint te ademen, te zuchten, te hakkelen alsof er een oude eend wordt gestart.’ Om vervolgens niet meer te stoppen, want Kroons preken duurden eindeloos. In Noordwijk bracht hij zijn gemeente eens in grote verwarring door midden in zijn preek op te houden en na een minutenlang stilzwijgen uit te roepen: ‘Gemeente, ik zeg het niet goed!’ Waarna hij weer overnieuw begon.
Kleijs Hendrik Kroon was Tukker van geboorte. Zijn wieg stond in Hengelo waar hij – naar eigen zeggen – in een ‘ruimhartig gereformeerd milieu’ opgroeide. Zijn vader was een kantoorbediende die zijn vrijetijd aan de theologie wijdde. Zoon Kleijs besloot er, na in Hengelo het openbaar gymnasium te hebben gevolgd, zijn beroep van te maken en schreef zich in 1924 als student theologie aan de Vrije Universiteit in. De afzetting van Geelkerken, twee jaar later, door de gereformeerde synode, als apotheose van een leerstellig conflict over de zondeval, beroerde Kroon zo heftig dat hij zijn studie afbrak en naar Tukkerland terugkeerde. Samen met zijn ouders verliet hij de gereformeerde kerken en trad toe tot Geelkerkens Hersteld Verband, waarna hij – vooral op aandringen van Buskes – zijn studie hervatte aan de Utrechtse rijksuniversiteit.
Inmiddels was ook Barth in Kroons leven gekomen. De Zwitserse theoloog leerde hem dat historische schriftkritiek en bijbelse theologie, zaken die Kroon sinds zijn tienerjaren bezighielden, elkaar niet hoefden te bijten. Het historische feit dat de bijbel een menselijk boek uit een vergane cultuur was, deed in de kerk niets af aan de kracht en het gezag van de bijbel als Gods Woord.
Na in 1931 te zijn geslaagd voor zijn kerkelijk examen werd Kroon hulppredikant in de Hersteld-Verbandgemeente van Utrecht-Tienhoven. In 1933 vertrok hij naar Leiden-Noordwijk, een jaar later naar de gemeente in het Noord-Hollandse Andijk. In 1936 keerde hij naar Leiden-Noordwijk terug. Niet alleen voor zijn preken nam Kroon ruimschoots de tijd. Ook huisbezoeken konden uren duren, omdat hij bij voorkeur dwarse kostgangers bezocht die wat te vertellen hadden en met wie hij eindeloos in discussie kon gaan. Voor knetterende gesprekken toog Kroon ook graag naar Amsterdam waar hij kind aan huis was bij Buskes, Schurer en Van Randwijk.
Ook stond Kroon in contact met de Bekennende Kirche en sloot hij zich aan bij een door Koopmans geleide studiegroep. Die trad in 1939 naarbuiten met de zogenaamde Amersfoortse Thesen, naar voorbeeld van de Barmer Thesen waarmee de Bekennende Kirche zich vijf jaar eerder tegen het nationaal-socialistische regime van Hitler had gekeerd. De Amersfoortse verklaring nam, scherper dan die van Barmen, stelling tegen het antisemitisme en legde de basis voor de Lunterse verzetskring die in augustus 1940 tot stand kwam, drie maanden na de Duitse inval die Kroon aanvankelijk uit het lood had geslagen. Pinksterzondag 12 mei, derde oorlogsdag, was hij niet bij machte in de dienst voor te gaan. Kroon lag ontredderd in bed – omdat hij wist wat komen ging, vooral voor de joodse landgenoten. Hij richtte zich op en spoorde aan tot geestelijk verzet, onder meer in het illegale Wat wij wel en wat wij niet gelooven dat Kroon in 1941 met Koopmans en Miskotte opstelde.
Een jaar later zegde hij de Hersteld-Verbandgemeente Leiden-Noordwijk vaarwel, ging over naar de hervormde kerk en werd hulppredikant in Amsterdam, aan Koopmans zijde. De jodenvervolging maakte een onuitwisbare indruk en had tot gevolg dat Kroons verdere leven in het teken stond van de verhouding tussen kerk en Israël. Te vuur en te zwaard bestreed hij de ‘christendommelijke’ eigenwaan als zou de christelijke kerk de wettige voortzetting van Israël zijn. Met Miskotte benadrukte Kroon het joodse karakter van de bijbel en de messias, Jezus Christus, en verwierp hij de zending onder de joden.
In 1945 behoorde Kroon tot de zeven predikanten, onder wie ook Miskotte en Buskes, die in Wat bezielt ze? rekenschap gaven van hun doorbraak naar de SDAP. Een jaar later werd het septet lid van de PvdA waarin Kroon, een geboren dwarsligger die eigenlijk in geen enkel hokje paste, algauw in de contramine raakte. Hij veroordeelde de Indiëpolitiek van de PvdA die als regeringspartij verantwoordelijkheid droeg voor de beide politionele acties. De aarzelende houding van de partijtop ten opzichte van de in 1948 uitgeroepen staat Israël was voor Kroon reden zijn lidmaatschap op te zeggen. Maar ook Israël spaarde hij niet. In 1956, inmiddels hervormd predikant in algemene dienst voor ‘Het gesprek met Israël’, plaatste hij vraagtekens bij de veldtocht die Israël tegen Nassers Egypte ondernam, samen met Engeland en Frankrijk. Elf jaar later kritiseerde Kroon, wiens dochter met een jood was getrouwd en in Israël woonde, de Zesdaagse Oorlog, wat hem diverse vriendschappen kostte.
Kroon ging in 1971 met emeritaat, zonder op zijn lauweren te rusten. Hij bleef, ondanks zijn zwakke hart, actief in de hervormde Raad voor Kerk en Israël. Ook gaf hij zijn gammele vierwieler nog regelmatig de sporen naar Brabant, Friesland of welke uithoek dan ook, ten einde zijn gepassioneerde woordenstroom over uiteenlopende gehoren uit te storten. De man van het woord, die in 1983 stierf, liet geen groot schriftelijk oeuvre na. Een dissertatie strandde in een vroeg stadium. Kroon schreef jarenlang artikelen voor De Groene Amsterdammer waarvan een deel werd samengebracht in de bundel Verwerp de oudwijfse fabelen.
Auteur
Peter Bak, voor Protestant.nl
19 juli 2010
Verder lezen
K.H. Kroon, Verwerp de oudwijfse fabelen (Amsterdam 1950)
'Kroon-getuigen', Werkschrift voor leerhuis en liturgie, II-6, mei 1982
J. van der Herik, Een voorganger over Israël (Kampen 1988)