Koopmans, Jan

koopmans.JPG

Hervormd theoloog (Sliedrecht 26 mei 1905 - Amsterdam 24 maart 1945)

Cynischer kan haast niet. Koopmans – die de nazi’s ergerde en uitdaagde. Die al in september 1940, vier maanden na de inval, opriep tot burgerlijke ongehoorzaamheid. Die, ontboden bij de Duitse bezetter, zijn hoed en wandelstok als blijk van minachting pontificaal op het bureau legde. Die in het najaar van 1941, in Wat zegt de bijbel?, nog openlijk schreef over Israël, Gods volk. Die een van de voormannen van het kerkelijk verzet werd; die moest onderduiken en uit de greep van de nazi’s leek te blijven. Totdat hij twee maanden voor de bevrijding dodelijk werd geraakt door een verdwaalde kogel uit de loop van het geweer van een Duitse militair die deel uitmaakte van een executiepeloton. ‘Dit schot,’ aldus Koopmans boezemvriend Kleijs Kroon, ‘was – bezien met de ogen van de antichrist – zeker meer raak dan menig andere in ons land.’

De kogel maakte een einde aan een leven dat nog maar veertig jaar eerder was begonnen in Sliedrecht waar Koopmans senior hoofdonderwijzer was. Ook Jan, de oudste van drie zoons, waarvan de jongste de Nobelprijs voor de economie zou winnen, leek voor het onderwijzerschap voorbestemd. Hiertoe bezocht hij (het gezin was inmiddels naar ’s-Graveland verhuisd) in Bussum de mulo, vervolgens de hbs waar in de vierde klas het verlangen groeide predikant te worden. Na staatsexamen te hebben gedaan ging Koopman in 1922 theologie studeren in Utrecht. Meer dan door zijn studie, die hem gemakkelijk afging, werd Koopman intellectueel gevormd in de Nederlandse Christen-Studenten Vereniging (NCSV), vooral door Noordmans die hij als zijn ‘geestelijke vader’ ging beschouwen.

In 1927, nog geen 23 jaar oud, studeerde Koopmans af en vertrok hij naar het Overijsselse Dalfsen waar hij hulpprediker in de hervormde gemeente werd. Na een halfjaar werd hij beroepen door Elkerzee, op Schouwen, een gemeente die zowel vanwege haar omvang (900 zielen) als uitgestrektheid veel van de jonge predikant vergde. Vier jaar later, in 1931, vertrok Koopmans naar ’s-Heer-Hendrikskinderen, bij Goes, een in beide opzichten kleinere gemeente die meer tijd voor de afronding van zijn universitaire studie liet. In 1936 behaalde Koopmans zijn doctoraalexamen, twee jaar later promoveerde hij op Het oudkerkelijk dogma in de reformatie, bepaaldelijk bij Calvijn.

Kort na zijn promotie zegde Koopmans, inmiddels vader van vier kinderen, ’s-Heer-Hendrikskinderen vaarwel. Hij trad in oktober 1938 als bijbelstudiesecretaris in dienst van de NCSV die zich in de jaren dertig nadrukkelijk bezighield met de maatschappelijke gevolgen van de economische crisis en het zich – dientengevolge – manifesterende fascisme en communisme. Dit engagement was Koopmans, voor wie de boodschap van het evangelie de studeerkamer verre oversteeg, uit het hart gegrepen. De leer moest in de prediking, de achilleshiel van de kerk, transformeren tot het Woord waarmee God de mens aansprak. Menige preek bleef volgens Koopmans steken in het uitventen van dogma’s en taboes, voorbijgaand aan actuele levensvragen. Godsdienst, zegde hij Karl Barth na, moest politieke en maatschappelijke zeggingskracht hebben.

Dit maakte Koopmans tot een gepassioneerde sympathisant van de Bekennende Kirche die zich in Hitler-Duitsland tegen het nationaal-socialisme teweerstelde. Dat in eigen land slechts weinigen beseften welk satanisch gevaar aan de oostgrens dreigde inspireerde hem in 1939 tot een concept-getuigenis waarin hij Nederlands angstvallige neutraliteit gispte. Van dit document loopt een kaarsrechte lijn naar zijn deelname aan de Lunterse kring en de publicatie van Bijna te laat!, de brochure die eind september 1940 in één nacht uit Koopmans pen spatte. Hierin riep hij de Nederlandse ambtenarij – tevergeefs – op de ariërverklaring te verscheuren, zijnde de voorbode van het ontslag van joodse medeburgers uit overheidsdienst. ‘Zij gaan er uit en zij gaan eraan,’ voorzag Koopmans.

Hij werd in juli 1941 weer predikant, in de hervormde gemeente van Amsterdam. Een jaar later kwam hij aan het hoofd te staan van een op initiatief van de hervormde synode opgericht bureau dat joods-christelijke stadsgenoten voor deportatie probeerde te behoeden. Meer en meer werd Koopmans spil in het kerkelijk verzet, ondanks dat huiselijke zorgen hem drukten. Zijn vrouw worstelde met een zwakke gezondheid; zijn gezin telde ondertussen vijf kinderen die veel zorg en aandacht vroegen, helemaal in de laatste oorlogswinter die honger en kou bracht. Koopmans leidde toen een ondergronds bestaan, zwervend van het ene naar het andere schuiladres.

In het vroege voorjaar van 1945 verbleef Koopmans aan de Amsterdamse Stadhouderskade waar het verzet op de twaalfde maart een SD’er liquideerde. Als represaille zetten de Duitsers vierentwintig onschuldige burgers tegen de muur, onder wie een vijftienjarige jongen. Een van de schutters richtte te hoog – opzettelijk, walgend van de moordpartij? Toch trof hij doel. De kogel drong in het hoofd van Koopmans die, gealarmeerd door het rumoer, voor het raam van zijn onderduikadres stond. Twaalf dagen later overleed hij, met zijn zieke vrouw aan zijde, liggend op een brancard. Zij stierf enkele jaren later.

Auteur
Peter Bak, voor Protestant.nl
12 juli 2010

Verder lezen
G.W. Marchal, Jan Koopmans. Dienaar tot de oogst (Den Haag 1985)
Geert van Istendael, ‘Dr. Jan Koopmans’, in: Geert van Istendael, Mijn Nederland (Amsterdam 2005), 203-213

Informatie op internet
Wapenveld