Kate, Jan Jacob Lodewijk ten

ten kate.JPG

Dichter en predikant (Den Haag 23 december 1819 - Amsterdam 26 december 1889)

In de negentiende eeuw werd zijn dichtwerk door het grote publiek verslonden en streek hij ongekende honoraria op. Voor zijn in 1869 verschenen dichtwerk De Planeeten bedong Ten Kate vierduizend gulden, naast zijn predikantstraktement. Een arbeider verdiende niet meer dan een paar honderd gulden per jaar. Tegenwoordig is Jan Jacob Lodewijk ten Kate bijna vergeten, na al tijdens zijn levensavond door de Tachtigers te zijn verguisd. Alleen kerkgangers stuiten nog wel eens op Ten Kate: vijf liederen in het Liedboek voor de kerken dragen zijn naam. Lied 14 is de bekendste: ‘De Heer is mijn Herder’, door Bastiaans van melodie voorzien.

Liefde voor de dichtletter werd de jonge Ten Kate met de spreekwoordelijke paplepel ingegoten. Zijn vader, hoofdcommies op het ministerie van marine in Den Haag, deed veel aan dichterlijke voordrachten, en ook zijn moeder schreef verzen. Bij de twee andere zonen uit het gezin, Mari en Herman, viel de appel evenmin ver van de kunstzinnige boom: zij werden bekende schilders. De jonge Jan Jacob bleek, in de woorden van Nicolaas Beets, ‘een knaap met verwonderlijken dichterlijken aanleg.’ Op veertienjarige leeftijd – overdag zittend op de kantoorbanken, ’s avonds in de schoolbanken – debuteerde Jan Jacob met Roosjen: eene parabel in de Boekzaal der geleerde wereld. Het stuk werd lovend ontvangen, evenals twee vervolggedichten, wat tot gevolg had dat de tiener werd opgenomen in het Haagse letterkundig genootschap ‘Oefening kweekt kennis’.

De jonge dichter laafde zich aan het werk van Bilderdijk en Da Costa, die hij bewierookte in het gedicht Holland’s muze, en besloot predikant te worden. Hiertoe schaarde hij zich onder de vleugelen van predikant en filantroop O.G. Heldring, die hem opnam in zijn Hemmense pastorie. Op zolder bereidde Ten Kate zich een jaar lang op zijn academische studie voor. In 1838, negentien jaar oud, schreef hij zich als theologiestudent aan de universiteit van Utrecht in, zonder de schone letteren te verwaarlozen. Ten Kate werd namelijk de drijvende kracht achter het studentikoze rijmtijdschrift Braga dat literair Nederland unverfroren op de hak nam, hekelend en scheldend.

Braga was niet de opmaat tot een carrière als criticus en satiricus. Evenals Beets verloor Ten Kate, eenmaal als predikant bevestigd, al zijn wilde haren. Het ene zoetgevooisde en stichtelijke vers na het andere vloeide uit zijn pen, gretig aftrek vindend bij het grote publiek. De Schepping, dat in 1866 verscheen, geldt als Ten Kates bekendste dichtwerk, een brokkelige en geforceerde poging het verhaal van Genesis 1 in overeenstemming te brengen met de evolutietheorie. Ook maakte Ten Kate, die een talenwonder was, naam met vertalingen van Schiller, Goethe, Dante, La Fontaine en Hugo. Voorts bracht hij het Nederlandse lezerspubliek in kennis met de sprookjes van Andersen. Het ging alles wel eens ten koste van zijn ambt als predikant, dat hij achtereenvolgens vervulde in Marken, Almkerk, Middelburg en Amsterdam, waar Ten Kate in 1860 werd bevestigd.

Tijdens zijn latere jaren werd Ten Kate mikpunt van spot, samen met geestverwant Beets. Met name Frederik van Eeden en Conrad Busken Huet hekelden Ten Kates gebrek aan verbeeldingskracht en oorspronkelijkheid. Meer dan wat ‘vlotte rijmelarij’ was zijn werk niet. ‘Dat is scheppen, dat is dichten / Loven, lieven, steunen, stichten,’ sneerde Van Eeden, die zijn woorden later overigens zou betreuren. Volgens Busken Huet zou Ten Kate, ‘indien men hem van een toren stiet, nederkomen aan gruis van verzen.’

Huiselijk was Ten Kates levenseinde evenmin gelukkig. Na drie dochters en twee zonen te hebben moeten begraven verloor hij, na een lang ziekbed, ook zijn vrouw. Vervolgens begon hij zelf met zijn gezondheid te kwakkelen. De huldiging ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag, in 1889, kon Ten Kate ternauwernood nog meemaken. Drie dagen later overleed hij, en raakte snel in de vergetelheid. Toen in 1919 Ten Kates honderdste geboortedag werd herdacht kostte het grote moeite geld bijeen te brengen voor een bloemlezing en een gedenksteen in de Amsterdamse Nieuwe Kerk waaraan Ten Kate in 1885 een aubade in acht zangen had gewijd. Pas in 1923 kon de steen worden onthuld.
 
Auteur
Peter Bak, voor Protestant.nl
22 maart 2010

Verder lezen
Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlandse protestantisme IV (Kampen 1998), 247-249