Hervormd predikant (Hilversum 23 januari 1858 - Amsterdam 20 juni 1940)
‘Mijn zoon,’ sprak zijn vader over hem, ‘moet zich elke dag herzien.’ Want zoonlief was nogal impulsief. Buskes, die geruime tijd met hem optrok, noemde hem zelfs ‘volkomen onberekenbaar’. Intelligent was Johan Gunning ook. Als jonge gymnasiast sprak hij vloeiend Frans en Italiaans; na de derde klas deed hij toelatingsexamen voor de universiteit en werd hij tot ieders verbazing aangenomen. Johan ging in Leiden letteren studeren, maar toen zijn vader niet veel later door tyfus werd geveld deed zijn heftige gemoed zich weer gelden. Hij zwaaide om naar de godgeleerdheid, in de hoop de genezing van zijn vader te bevorderen.
De theologiestudie volgde Gunning niet in Leiden, maar in Utrecht waar zijn vader ook had gestudeerd. Anders dan zijn inborst zou doen vermoeden werkte Gunning er regelmatig en hard. Wel was er in 1880, na vier jaar studie, een opwelling die hem terugvoerde naar Leiden waar hij colleges oosterse talen ging volgen. Lang duurde dit niet. In 1881 besloot Gunning zijn theologiestudie met promotie en nog hetzelfde jaar werd hij door zijn vader als predikant bevestigd in Wilhelminadorp. Kuyper, die het literaire talent van de jonge Gunning onderkende, had hem aan De Standaard willen verbinden. Hij bood een vorstelijk jaarsalaris, maar Gunning koos toch voor de pastorie.
Gemakkelijk waren zijn jaren in Wilhelminadorp niet. Kerkelijk en godsdienstig stond het leven in het Walcherse dorps op laag peil. Afleiding gaf het schrijven van de biografie van de vermaarde predikant Budding die in 1883 verscheen. Een jaar later vertrok Gunning naar het deftige Bennebroek waar hij een trouwe en dankbare gemeente trof. Toch verruilde hij de bollenstreek al na drie jaar voor Gouda. Ook hier was men hem welgezind, zij het dat zijn verzet tegen kermisviering op zondag een conflict in de kerkenraad tot gevolg had. Ook keerde Gunning zich tegen het gebruik om na de avondmaalsviering de wijninname nog enige tijd in de consistorie voort te zetten.
In Leiden, waar Gunning in 1891 werd beroepen, maakte hij naam als stichter van een wijkgebouw, Pniël. Om het geld bij elkaar te krijgen gaf hij een gelijknamig evangelisatieblad uit dat na de realisering van het gebouw bleef bestaan. Tot zijn dood, een halve eeuw later, heeft Gunning het blad grotendeels zelf gevuld, met bijbelse beschouwingen, stukken uit de geschiedenis van kerk en zending, maar ook met literaire bijdragen. ‘Vanuit Golgotha als middelpunt ga ik zoover mogelijk naar alle kanten van de cirkel,’ verwoordde Gunning de diversiteit van het veelgelezen blad. Daarin manifesteerde zich ook de evangelist die zich verbonden voelde met het Leger des Heils; die in zalen en tenten een breed publiek zocht en niet alleen sprak voor de NCRV maar ook voor de AVRO. Maar de pen was zijn eerste liefde. In 1911 was Gunning een van de oprichters van Bloesem en vrucht, het maandblad van het Christelijk Letterkundig Verbond.
Ook in Leiden stond Gunning niet lang. Na drie jaar vertrok hij naar Utrecht waar hij de ziel werd van het evangelisatiegebouw Irene. Hij verkondigde er niet alleen het woord van God, maar gaf ook literaire cursussen, onder meer over Dante, Ibsen en Kierkegaard. In 1913 zegde Gunning de kansel vaarwel en werd directeur van het Haarlemse diaconessenhuis. Gespeend van organisatorische en administratieve gaven liep hij er snel vast. Eind 1914, 56 jaar oud, vestigde Gunning zich als ambteloos burger in Apeldoorn, al kroop het bloed al gauw waar het niet gaan kon: Gunning kreeg er de leiding van de evangelisatiebeweging Maranatha, die geen kerkgenootschappelijke binding had.
Na diverse beroepen te hebben afgewezen, bezweek Gunning in 1920 voor een bede uit Serooskerke. Hij keerde terug naar Walcheren waar hij vier jaar zou blijven en de zesdelige uitgave over het leven en werk van zijn vader voltooide. In 1924 vestigde Gunning zich als emeritus-predikant in Bilthoven. Hij schreef diverse boeken, onder meer over William Booth, de stichter van het Leger des Heils. Ook wijdde hij een boek aan John Henry Newman, de Britse kardinaal die aanvankelijk protestants was. Zelf noemde Gunning zich ‘evangelisch-katholiek’; hij was hervormd, bij gebrek aan beter. Vooral de liturgische armoede stond Gunning tegen. Hij baarde opzien met een pleidooi voor de biecht en was een vurige voorstander van het gebruik van gezangen. Pas na Gunnings dood, in 1940, zou de liturgische vernieuwing in de hervormde kerk voet aan de grond krijgen.
Auteur
Peter Bak, voor Protestant.nl
5 oktober 2009
Verder lezen
Gunning J. Hzn., Herinneringen uit mijn leven (Amsterdam 1941)
Informatie op internet
Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse letteren