Predikant, auteur van een psalmberijming (Monta-Cassel 1531 - Elbing 17 maart 1588)
Wie zich verdiept in Dathenus’ leven loopt kans door plaatsvervangende vermoeidheid te worden bevangen. In naam van de reformatie reisde hij van hot naar her – vrijwillig, maar soms ook gedwongen, omdat hij als prediker in de verdrukking was geraakt. Dathenus trok van Kortrijk naar Londen, vervolgens naar Frankfurt am Main, vandaar naar de Palts. Als hagepreker bereisde hij de zuidelijke Nederlanden, als veldprediker belandde hij twee keer in Frankrijk, zijn laatste levensjaren sleet Dathenus in de omgeving van Dantzig.
Een bewogen leven dus, dat in 1531 begon in Monta-Cassel, een dorp tussen Calais en Kortrijk. Over de jeugdjaren van Dathenus is niets bekend, evenmin over de wijze waarop hij tot het geloof van de reformatie is gekomen. Dathenus was een karmelietermonnik die het klooster in Ieper, niet ver van Monta-Cassel, rond zijn twintigste verliet en in zijn geboortestreek de nieuwe leer ging verkondigen. Vermoedelijk dwong vervolging hem uit te wijken naar Londen waar hij zich bij de vluchtelingengemeente aansloot en als typograaf en dokter in zijn levensonderhoud voorzag. Na de troonsbestijging in 1553 van de even bloeddorstige als rooms-katholieke Mary Tudor, de tweede vrouw van Filips II, ontvluchtten vele protestantse ballingen Engeland, onder wie Dathenus. Hij vestigde zich in Emden, om twee jaar later, in 1555, naar Frankfurt te trekken waar hij ging corresponderen met Calvijn. De briefwisseling baande de weg naar een persoonlijke ontmoeting, in september 1556.
Theologische controversen met lutheranen leidde er in 1562 toe dat Dathenus, samen met zestig medestanders, Frankfurt verliet. Het gezelschap vestigde zich in de Palts waar de scepter werd gezwaaid door keurvorst Frederik III die de leer van Calvijn aanhing. Frederik wees Datheen en de zijnen twee kloosters toe, in de omgeving van Worms, waar onder de naam Frankenthal een bloeiende vluchtelingengemeente ontstond. Dathenus vertaalde er de Heidelbergse catechismus en voltooide een berijming van het Franstalige Geneefse psalmboek. De bundel genoot grote populariteit omdat Dathenus, hageprediker bij uitstek, dicht bij de volkstaal was gebleven. Muzikaal kende de bundel gebreken en was de berijming van Marnix van Sint Aldegonde, die in 1580 verscheen, verre te prefereren. Het nam niet weg dat de berijming van Dathenus tot 1773, toen de bundel werd vervangen door de statenberijming, in gebruik bleef.
In 1566 werd Dathenus door Frederik II naar Zwitserland gezonden, ten einde daar de reformatie te verbreiden. Nauwelijks teruggekeerd in Frankenthal vertrok Dathenus naar de Nederlanden waar de beeldenstorm was opgestoken. Als prediker en voorzitter van kerkelijke vergaderingen droeg Dathenus aan de opmars van de nieuwe leer bij, vooral in Vlaanderen en Zeeland. Ondertussen schoot de reformatie ook in Frankrijk wortel. Als raadsman en veldprediker in dienst van Johan Casimir, zoon van Frederik II die de hugenoten militair te hulp schoot, trok Dathenus op oorlogspad naar Frankrijk. Ook Casimirs tweede Franse veldtocht, in 1577, maakte hij mee.
Willem van Oranje, aan wie Dathenus in 1566 de eed van gehoorzaamheid had afgelegd, benoemde hem in de zomer van 1572 tot raadsman en commissaris, gevolmachtigd om in Holland en Zeeland kerkelijk en politiek orde op zaken te stellen. Zes jaar later kwam Dathenus met de prins in conflict. Tijdens een predikbeurt in de Gentse Sint Bavokerk kapittelde hij diens godsdienstpolitiek die gericht was op gelijkberechting van het protestantse en rooms-katholieke geloof. Van een vergelijk met Rome wilde Dathenus niets weten. Ook was het hem, verklaard vriend van de hugenoten, een doorn in het oog dat Oranje, in de strijd tegen Spanje, steun zocht bij de katholieke hertog van Anjou.
Het gevolg was dat Dathenus in oktober 1584 (Oranje was drie maanden eerder vermoord) op last van de staten van Holland werd gearresteerd. Twee maanden later werd hij op vrije voeten gesteld en week uit naar noord-Duitsland. Na wat omzwervingen vestigde hij zich in Elbing, vlakbij Dantzig, waar hij werkte als dokter en gymnasiumleraar. Teleurgesteld in het calvinisme zocht hij zijn heil enige tijd bij de davidjoristen. In 1586, twee jaar voor zijn dood, kon Dathenus een deputatie van de nationale synode echter verzekeren dat hij weer tot het ware geloof was teruggekeerd.
Auteur
Peter Bak, voor Protestant.nl
24 juli 2009
Verder lezen
Th. Ruys, Petrus Dathenus (Houten 1988)
Informatie op internet
Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren