Dichter, prozaschrijver en moraalfilosoof (Amsterdam 1522 - Gouda 29 oktober 1590)
‘Wondre, wondre ijveraar, zoo onverdraagzaam in den naam der verdragelijkheid,’ werd hij door Truitje Bosboom-Toussaint gekarakteriseerd. Voor Dirck Volkertsz Coornhert bestonden geen gulden middenwegen. ‘Weet of Rust,’ luidde zijn levensdevies. Spreken of schrijven deed je alleen met volledige kennis van zaken. Wie die niet bezat moest zwijgen. Coornhert zweeg nooit, en boog evenmin, ongeacht de gevolgen. ‘Verkiezen doet verliezen,’ sprak de harde kop eens. Liever stikken dan slikken.
Coornhert was de jongste zoon van een welgestelde Amsterdamse lakenkoopman. Voorbestemd om tot de handelsfirma toe te treden liet zijn vader hem eerst een culturele ontdekkingsreis naar Spanje en Portugal maken. In 1538, nog maar zestien jaar oud, trok de jonge Coornhert over het Iberisch schiereiland, maar in de jaren die volgden nam zijn leven een volstrekt andere wending. Allereerst trouwde hij met een vrouw die niet de goedkeuring van zijn ouders kon wegdragen. Ze onterfden hem waarmee een comfortabel leven als lakenkoopman van de baan was. Na een kort bestaan als hofmeester op een kasteel van Reinoud III van Brederode vestigde Coornhert zich eind 1540, begin 1541 als etser en graveur in Haarlem.
Een paar jaar later nam hij kennis van de opvattingen van Luther, Menno Simons en Calvijn. Die bekoorden hem omdat ze de ‘misbruycken ende dolingen’ van de rooms-katholieke kerk aan de kaak stelden, maar confronteerden hem ook met een leerstuk dat hij zijn hele verdere leven zou bestrijden: de erfzonde. In de bijbel noch in de werken van Augustinus vond Coornhert grond voor de opvatting dat iedere boreling was behept met de zonde die Adam en Eva in de Hof van Eden hadden begaan. Hieraan gaf hij uiting in een aantal ongepubliceerde, onder vrienden verspreide geschriften. Verschooninghe van de roomsche afgoderij, dat Coornhert in 1560 schreef, kwam Calvijn echter onder ogen, die prompt en fel reageerde. Diens repliek kreeg in Nederlandse vertaling de veelzeggende titel Boecxken genaemt ‘Tegen den botten Hollander’.
In 1561 verruilde Coornhert de graveernaald voor de ganzenveer: hij werd notaris, drie jaar later stadssecretaris van Haarlem. In deze laatste functie maar ook als particulier persoon raakte hij betrokken bij de Opstand. Niet intensief, maar voor het Hof van Holland reden genoeg Coornhert in september 1567 te laten arresteren. In afwachting van zijn proces op vrije voeten gesteld, vluchtte hij in april 1568 naar Duitsland.
Vier jaar later, toen de opstandelingen, aangevoerd door Willem van Oranje met wie Coornhert een aantal ontmoetingen had, aan de winnende hand leken, keerde hij in Haarlem terug. Hij werd secretaris van de Staten van Holland, maar moest na een paar maanden alweer de wijk nemen. Coornhert openbaarde een rapport over het wangedrag waaraan de troepen van de Luikse edelman Lumey, een ondercommandant van Oranje, zich in de omgeving van Haarlem hadden schuldig gemaakt. Lumey verklaarde Coornhert vogelvrij. Opnieuw vluchtte hij naar Duitsland, om begin 1577, na de pacificatie van Gent, te repatriëren.
Coornhert, die tot zijn dood katholiek zou blijven, vestigde zich weer als notaris in Haarlem. Van publieke functies wilde hij niets meer weten, van theologische disputen des te meer. Dat Oranjes ideaal van religieuze coëxistentie vervloog weet hij vooral aan het drijven van rabiate calvinisten die geloofsvrijheid en tolerantie met voeten traden. Hij haalde hen in woord en geschrift over de hekel, daarbij ook Calvijns predestinatieleer bestrijdend, wat Coornhert bijzonder gehaat maakte. In 1585 verliet hij het theologisch strijdtoneel en vertrok naar het Noord-Duitse Emden waar hij zijn hoofdwerk Zedekunst, dat is Wellevenskunste schreef. Hierin betoogde hij dat niet het geloof maar de rede tot deugdzaamheid voerde.
In 1586 woonde Coornhert weer in Haarlem. Twee jaar later verhuisde hij naar Delft, waar hij echter niet gewenst was en door het stadsbestuur werd uitgewezen. In Gouda was hij wel welkom. Coornhert nam er de graveernaald weer op, maar kon het polemiseren niet laten. Vooral de Leidse hoogleraar Justus Lipsius moest het ontgelden. Coornhert beschuldigde hem ervan op een van overheidswege georganiseerde ketterjacht uit te zijn, in dusdanig gepeperde bewoordingen dat hij zijn reputatie van apostel der verdraagzaamheid te grabbel gooide.
Auteur
Peter Bak, voor Protestant.nl
20 juli 2009
Verder lezen
H. Bonger e.a., Dirck Volckertszoon Coornhert. Dwars maar recht (Zutphen 1989)
Mirjam van Veen, Dirck Volckertsz Coornhert (Kampen 2009)
Informatie op internet
Mirjam van Veen, 'Calvijnhater van het eerste uur'
Digitale bibliotheek Nederlandse letteren